Ambtelijk advies / Brief
Origineel
Ambtelijk advies / Brief 22 maart 1940 De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst) Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam [Handgeschreven rechtsboven:] ter. k. de Man.
[Handgeschreven midden boven:] extra
VP/HG.
31/19/2 M.
22 Maart 1940.
Klacht van H.Prins inzake
Zondagsmarkt Uilenburg.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 7 dezer om advies ontvangen stuk no.254 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat reeds sedert ongeveer vier jaren op de Zondagsmarkt Uilenburg een marktkraam wordt geplaatst voor den winkel van adressant. Het uitzicht op zijn zaak wordt daardoor nagenoeg niet belemmerd, aangezien er door het dienstdoende marktpersoneel voor wordt gezorgd, dat de marktkraam nimmer een achterzeil heeft. Indien op de Zondagsmarkt geen kramen werden geplaatst voor winkels, zouden verscheidene vaste plaatsen op die markt moeten worden ingetrokken. Den adressant is dezerzijds terzake dan ook geenerlei toezegging gedaan.
Ik geef U beleefd in overweging adressant te doen berichten, dat hem niet kan worden toegezegd, dat voor zijn winkelraam geen kraam zal worden geplaatst, doch dat ten deze op zijn belangen zal worden gelet, voor zoo ver dit met de belangen der Zondagsmarkt vereenigbaar is.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse wethouder voor Levensmiddelen. Het betreft een reactie op een klacht van een winkelier, de heer H. Prins, die bezwaar maakt tegen het plaatsen van een marktkraam voor zijn winkeletalage tijdens de wekelijkse Zondagsmarkt in de wijk Uilenburg.
De directeur beargumenteert dat de situatie al vier jaar onveranderd is en dat er rekening wordt gehouden met de winkelier door kramen zonder achterzeil te gebruiken, zodat de etalage zichtbaar blijft. Het hoofdarkument om de klacht af te wijzen is van praktische aard: als er geen kramen voor winkels geplaatst mogen worden, verliest de markt te veel standplaatsen. Het advies aan de wethouder is dan ook om de klager geen harde toezeggingen te doen, maar slechts te verklaren dat er "zo veel mogelijk" rekening met hem zal worden gehouden. De brief is gedateerd op 22 maart 1940, slechts anderhalve maand voor de Duitse inval in Nederland. De locatie, Uilenburg, was een historische buurt in het centrum van Amsterdam die destijds bekend stond als een levendige volksbuurt met een grote Joodse populatie. De Zondagsmarkt aldaar was een begrip in de stad.
De correspondentie geeft een inkijkje in de dagelijkse stedelijke dynamiek en de belangenafwegingen van het Amsterdamse gemeentebestuur in het interbellum. Het toont de frictie tussen de belangen van gevestigde winkeliers en de ambulante handel (de markt), en hoe de bureaucratie dergelijke conflicten trachtte te sussen zonder vaste rechten te verlenen. De formele taal en de specifieke adressering aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" zijn typerend voor de toenmalige bestuurscultuur.