Doorslag van een officiële brief (ambtelijke correspondentie).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (ambtelijke correspondentie). 25 juni 1940 (verzonden op 26 juni 1940). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam). Den Heer A. Agartz, Haarlemmerdijk 44 III, Amsterdam-C. 90/40/2 M.
DV.
[Handgeschreven:] m. de Leeu
[Handgeschreven:] Verzonden 26/6
25 Juni 1940.
den Heer A. Agartz,
Haarlemmerdijk 44 III,
Amsterdam-C.
Wijk 9.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 7 Juni jl. ver-
leen ik U hierbij toestemming om Uw plaats op de markt Mosplein
gedurende zes weken niet in te nemen. U gelieve er echter zorg-
voor te dragen, dat het ook tijdens Uw afwezigheid verschuldigde
marktgeld wekelijks wordt voldaan.
De Directeur, Deze korte, zakelijke brief is een antwoord op een verzoek van de heer Agartz van 7 juni 1940. Agartz heeft gevraagd of hij zijn staanplaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord) zes weken onbezet mag laten. De directeur verleent hiervoor toestemming, maar stelt daar de harde voorwaarde tegenover dat de verschuldigde staanplaatsgelden (het marktgeld) tijdens deze afwezigheid wel wekelijks doorbetaald moeten worden.
De toon is formeel en bureaucratisch. De handgeschreven notitie "Verzonden 26/6" bevestigt de administratieve afhandeling één dag na de datering van de brief. De brief is gedateerd op 25 juni 1940, slechts enkele weken na de Nederlandse capitulatie en het begin van de Duitse bezetting. In deze periode liep de gemeentelijke bureaucratie in eerste instantie gewoon door.
De locatie "Mosplein" in Amsterdam-Noord was (en is) een bekende marktlocatie. De ontvanger, de heer A. Agartz, woonde aan de Haarlemmerdijk, een straat die van oudsher veel kleine neringdoenden en marktkooplieden huisvestte. In de oorlogsjaren werden Amsterdamse markten steeds vaker het toneel van anti-Joodse maatregelen; hoewel deze brief daar niet direct naar verwijst, is het een document uit een tijd waarin de bewegingsvrijheid van marktkooplieden, zeker die van Joodse afkomst, onder toenemende druk kwam te staan. Het feit dat iemand zes weken verlof vraagt kort na de inval, kan duiden op persoonlijke omstandigheden, ziekte, of wellicht de ontreddering door de nieuwe politieke situatie. A. Agartz C.
Samenvatting
Deze korte, zakelijke brief is een antwoord op een verzoek van de heer Agartz van 7 juni 1940. Agartz heeft gevraagd of hij zijn staanplaats op de markt aan het Mosplein (Amsterdam-Noord) zes weken onbezet mag laten. De directeur verleent hiervoor toestemming, maar stelt daar de harde voorwaarde tegenover dat de verschuldigde staanplaatsgelden (het marktgeld) tijdens deze afwezigheid wel wekelijks doorbetaald moeten worden.
De toon is formeel en bureaucratisch. De handgeschreven notitie "Verzonden 26/6" bevestigt de administratieve afhandeling één dag na de datering van de brief.
Historische Context
De brief is gedateerd op 25 juni 1940, slechts enkele weken na de Nederlandse capitulatie en het begin van de Duitse bezetting. In deze periode liep de gemeentelijke bureaucratie in eerste instantie gewoon door.
De locatie "Mosplein" in Amsterdam-Noord was (en is) een bekende marktlocatie. De ontvanger, de heer A. Agartz, woonde aan de Haarlemmerdijk, een straat die van oudsher veel kleine neringdoenden en marktkooplieden huisvestte. In de oorlogsjaren werden Amsterdamse markten steeds vaker het toneel van anti-Joodse maatregelen; hoewel deze brief daar niet direct naar verwijst, is het een document uit een tijd waarin de bewegingsvrijheid van marktkooplieden, zeker die van Joodse afkomst, onder toenemende druk kwam te staan. Het feit dat iemand zes weken verlof vraagt kort na de inval, kan duiden op persoonlijke omstandigheden, ziekte, of wellicht de ontreddering door de nieuwe politieke situatie.