Doorslag van een officiële brief/kennisgeving.
Origineel
Doorslag van een officiële brief/kennisgeving. 11 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktendienst Amsterdam). Den Heer C.J. Burger, Oranjeboomstraat 29, Haarlem. [Handgeschreven aantekeningen bovenaan:]
Verzonden 11/12
M. de Boer [?]
VD/HG.
den Heer C.J. Burger,
Oranjeboomstraat 29,
H A A R L E M .
90/92/2 M. 11 December 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 30 November jl. bericht
ik U, dat U zoo spoedig mogelijk Uw legitimatiekaart voor de
markt Mosplein bij mijn dienst moet inleveren, tezamen met een
verklaring van het Gemeentebestuur van Haarlem, waaruit blijkt,
dat U ondersteuning geniet en deswege geen inkomsten uit arbeid
moogt trekken. Uit bedoelde verklaring moet tevens blijken op
welken datum de ondersteuning is ingegaan.
Daarna kan ik U vrijstellen van de betaling van marktgeld
van Uw plaats op bovengenoemde markt.
De Directeur, De brief is een administratieve reactie op een verzoek van de heer Burger. Burger heeft blijkbaar gevraagd om vrijstelling van het marktgeld (staangeld) voor zijn plek op de markt aan het Mosplein in Amsterdam-Noord.
De directeur van de betreffende dienst stelt een strikte voorwaarde: de heer Burger moet zijn legitimatiekaart (marktvergunning) inleveren en bewijzen dat hij een uitkering ("ondersteuning") ontvangt van de gemeente Haarlem. Een cruciaal detail is de vermelding dat hij door deze ondersteuning "geen inkomsten uit arbeid moogt trekken". Dit wijst op de strikte regelgeving waarbij het ontvangen van sociale steun vaak onverenigbaar was met het verrichten van commerciële activiteiten, zelfs op kleine schaal op een markt. Het document dateert uit december 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur civiele/administratieve toon heeft, weerspiegelt het de precaire economische situatie van die tijd. Veel kleine zelfstandigen en handelaren hadden moeite om rond te komen.
De "ondersteuning" waarover gesproken wordt, was de voorloper van de huidige bijstand. In die jaren was het regime rondom de 'steun' erg streng; wie officieel als werkloos of hulpbehoevend te boek stond, mocht vaak niet bijverdienen. De eis om de legitimatiekaart in te leveren suggereert dat de heer Burger zijn handelsactiviteiten op het Mosplein officieel moest staken om in aanmerking te komen voor de vrijstelling en (vermoedelijk) het behoud van zijn uitkering. C.J. Burger M. de Boer
Samenvatting
De brief is een administratieve reactie op een verzoek van de heer Burger. Burger heeft blijkbaar gevraagd om vrijstelling van het marktgeld (staangeld) voor zijn plek op de markt aan het Mosplein in Amsterdam-Noord.
De directeur van de betreffende dienst stelt een strikte voorwaarde: de heer Burger moet zijn legitimatiekaart (marktvergunning) inleveren en bewijzen dat hij een uitkering ("ondersteuning") ontvangt van de gemeente Haarlem. Een cruciaal detail is de vermelding dat hij door deze ondersteuning "geen inkomsten uit arbeid moogt trekken". Dit wijst op de strikte regelgeving waarbij het ontvangen van sociale steun vaak onverenigbaar was met het verrichten van commerciële activiteiten, zelfs op kleine schaal op een markt.
Historische Context
Het document dateert uit december 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur civiele/administratieve toon heeft, weerspiegelt het de precaire economische situatie van die tijd. Veel kleine zelfstandigen en handelaren hadden moeite om rond te komen.
De "ondersteuning" waarover gesproken wordt, was de voorloper van de huidige bijstand. In die jaren was het regime rondom de 'steun' erg streng; wie officieel als werkloos of hulpbehoevend te boek stond, mocht vaak niet bijverdienen. De eis om de legitimatiekaart in te leveren suggereert dat de heer Burger zijn handelsactiviteiten op het Mosplein officieel moest staken om in aanmerking te komen voor de vrijstelling en (vermoedelijk) het behoud van zijn uitkering.