Zakelijke brief (doorslag op dun papier).
Origineel
Zakelijke brief (doorslag op dun papier). 18 maart 1941. De Directeur (van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst). Den Heer Administrateur van de afdeeling Bevolkingsregister en Verkiezingen, Singel 451, Amsterdam. (De transcriptie volgt de originele spelling, interpunctie en bladspiegel.)
[Rechtsboven handgeschreven in blauwe inkt:] H. v. Duinhoven
D/HG.
den Heer Administrateur van de afdee-
ling Bevolkingsregister en Verkiezingen,
Singel 451,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 5.
18 Maart 1941.
8A/42/2 M.
Persoonsbewijzen.
Naar aanleiding van Uw brief van 6 Maart jl. No. 107/3
heb ik de eer U te berichten, dat ik gaarne gebruik zal maken van
den uitzonderingsmaatregel, bedoeld in Uw bovengenoemden brief.
Bij mijn dienst zijn momenteel 75 ambtenaren en werklieden
werkzaam; omtrent de onderhavige aangelegenheid kan nader overleg
worden gepleegd met den heer H.A. van Duinhoven op het Hoofdkantoor
van mijn dienst.
De Directeur, Dit document is een officiële reactie van een gemeentelijke dienstdirecteur aan het Amsterdamse Bevolkingsregister. De kern van de brief is de acceptatie van een "uitzonderingsmaatregel" met betrekking tot de uitgifte van persoonsbewijzen aan 75 personeelsleden (zowel kantoorpersoneel als arbeiders).
Opvallend is de vermelding van de heer H.A. van Duinhoven als contactpersoon op het hoofdkantoor. De handgeschreven naam rechtsboven suggereert dat dit exemplaar aan hem was gericht of door hem is behandeld. De zakelijke, bijna formele toon ("heb ik de eer U te berichten") is kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie uit die tijd. De datum van de brief, 18 maart 1941, is historisch zeer relevant. Dit is minder dan een maand voordat het Persoonsbewijs (PB) in Nederland officieel verplicht werd gesteld (1 april 1941) door de Duitse bezetter. De invoering van het PB was een enorme logistieke operatie voor de gemeenten.
De genoemde "uitzonderingsmaatregel" hield waarschijnlijk in dat grote groepen personeel van vitale gemeentelijke diensten niet individueel naar het distributiekantoor hoefden te komen, maar dat de aanvraag en uitreiking collectief via de eigen dienst werd afgehandeld. Dit was bedoeld om de druk op de publieke loketten te verlichten en de voortgang van het werk bij de diensten niet te verstoren. Hoewel het hier om een administratieve handeling lijkt te gaan, vormde het Persoonsbewijs in de jaren die volgden een dodelijk instrument voor de bezetter bij de vervolging van de Joodse bevolking en het opsporen van verzetsmensen.