Archiefdocument
Origineel
6 oktober 1941 overwerk
H. S. van Duinhoven
A’dam, 6/10 1941
[Stempels/notities: W. l. u. 7/10/41, 18 JA/106/1 M]
Telken jare is de hoofdklerk H. S. van Duinhoven (no. 58) van mijn dienst belast met het jaarwerk t. b. v. salarisstaten, stamkaarten etc, waarbij dit jaar nog komen de werkzaamheden verbonden aan de loonbelasting administratie. Deze werkzaamheden werden door hem steeds in overwerk verricht. Ook het jaarwerk 1940 is voor een belangrijk gedeelte door hem buiten de kantooruren verricht. In verband met het gestelde in het besluit van B. & W. dd. 2 Augs. 1940 No. 1130 Pub. [Stempel: 17 Oct 1940 / 724 2 1.11.1940] kon hem daarvoor geen vergoeding wegens overwerk worden uitbetaald; i. v. m. de u bekende personeelssituatie bij mijn dienst (ik merk hierbij op, dat ook de positie van Van Duinhoven nader moet worden bezien), konden door hem evenmin de gemaakte overuren, verminderd met de percentages voor overwerk (vide het gestelde onder punt 4º van bovengenoemd besluit) worden ingehaald.
Ook voor het jaarwerk 1941 is een situatie, als bovenomschreven, te verwachten. Waar inmiddels bij besluit van B. & W. [doorgehaald: (??)] dd. 24/1 1941 no 1912 a Afd. 724 G II (voor wat betreft de punten 4 en 5) bovengenoemd besluit van B. & W. is ingetrokken, waardoor het thans weer mogelijk is geworden – na verkregen machtiging van den Weth. voor de Arbeidszaken – om in onvermijdelijke gevallen overwerk uit te betalen, verzoek ik U beleefd mij de hiertoe vereischte machtiging t. b. v. Van Duinhoven te verstrekken.
[Paraaf/Handtekening] Dit document is een ambtelijke correspondentie binnen de gemeente Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het betreft een verzoek van een afdelingshoofd aan een hogere instantie om toestemming te krijgen voor de financiële compensatie van overwerk van een specifieke ambtenaar, de heer H.S. van Duinhoven.
De tekst belicht de administratieve druk die ontstond door de invoering van de loonbelasting (een maatregel van de bezetter, ingevoerd per 1 januari 1941). De schrijver legt uit dat overwerk in 1940 niet uitbetaald mocht worden door een besluit van Burgemeester en Wethouders (B&W), en dat het ook niet gecompenseerd kon worden in vrije tijd vanwege personeelstekort. Nu een nieuw besluit uit 1941 deze beperkingen deels heeft opgeheven, wordt er formeel gevraagd om een uitzondering (machtiging) via de Wethouder voor Arbeidszaken. Het document weerspiegelt de bureaucratische realiteit in bezet Nederland (oktober 1941). De overstap naar het Duitse belastingstelsel (de loonbelasting) bracht een enorme hoeveelheid extra werk met zich mee voor de gemeentelijke administraties.
De opmerking over de "u bekende personeelssituatie" is interessant; dit kan een eufemisme zijn voor de krappe bezetting die ontstond nadat Joodse ambtenaren eind 1940 op last van de bezetter waren ontslagen. Dit leidde op veel afdelingen tot een structurele overbelasting van het overgebleven personeel. Het document toont aan dat zelfs kleine personele zaken, zoals overwerkvergoedingen, strikt gereguleerd waren en meerdere ambtelijke lagen en formele besluiten vereisten.