Circulaire/dienstvoorschrift aan hoofden van diensten.
Origineel
Circulaire/dienstvoorschrift aan hoofden van diensten. 30 oktober 1941. [Handgeschreven linksboven:] P/B.
[Archiefstempel/kenmerk bovenaan:] No OA / 117 / 1 M. 1941 31/10
[Handgeschreven rechtsboven:] m.i. Th. v. Duijnhoven | s.v.p. bij stamkaarten [gevolgd door een paraaf/teken]
G E M E E N T E A M S T E R D A M.
No. 1965 Arb. 1941.
Onderwerp: Bijwerken personeels- | AMSTERDAM, 30 October 1941.
kaarten met de gege-
vens over 1941.
Onder herinnering aan de circulaires van mijn ambtsvoorganger van 22 November 1940, No. 1771 Arb., van 8 Januari 1941, No. 67 Arb., van 16 Januari 1941, No. 67a Arb. en van 30 Januari 1941, No. 67b Arb., verzoek ik U met het oog op het bijwerken der stamkaarten van de ambtenaren en werklieden met de gegevens over 1941, met de hierna volgende aanwijzingen rekening te willen houden.
1o. Met nadruk moge ik er nog even op wijzen, dat, zooals reeds in het rondschrijven van 22 November 1940, No. 1771 Arb., is medegedeeld, alle gegevens aan de voorzijde der stamkaarten bijgewerkt moeten worden tot en met 1 Januari, thans dus 1 Januari 1942.
2o. Als reden van ontslag dient aan de voorzijde der stamkaarten in vak B (rechts boven) in voorkomende gevallen opgenomen te worden:
a. "als Joodsch ambtenaar/werkman ontslagen op 1 Maart 1941"
b. "ontslag wegens staking of aansporen tot staken op 25 en/of 26 Februari 1941 (met datum ontslag)"
Indien nog andere gevallen van ontslag door maatregelen van "hooger gezag" zijn voorgekomen, dient ook hiervan de reden apart vermeld te worden (b.v. ontslag wegens inzameling van gelden ten behoeve van het ontslagen Joodsche personeel of van het personeel, dat ontslagen is wegens staking, enz.).
De stamkaarten van de betreffende personen behooren, zooals dat bij ontslag de gewoonte is, aan de voorzijde met "rood" afgestreept te worden.
3o. De uitkeeringen, welke het ontslagen Joodsche personeel na 1 Maart 1941 heeft ontvangen, mogen niet op de stamkaarten vermeld worden, doch zullen in afzonderlijke opgaven aan mij ingezonden moeten worden, waarover nog een nadere mededeeling zal volgen.
4o. De aan het ontslagen Joodsche personeel tot 1 Maart 1941 uitbetaalde salarissen, loonen, toelagen enz., alsmede het aantal uren, arbeidsdagen, weken enz. over het tijdvak 1 Januari - 1 Maart 1941 dienen, alhoewel in dat tijdvak niet gewerkt is, toch op de stamkaarten vermeld te worden. Dit is ook over het tijdvak 26 November - 31 December 1940 geschied en is noodzakelijk daar anders het gemiddeld uur- en weekinkomen voor sommige categorieën hooger zou worden dan het in werkelijkheid geweest is.
Voor bedoelde Joodsche ambtenaren en werklieden mogen echter de verplichte arbeidsdagen voor de ziekteverzuimstatistiek over het tijdvak 1 Januari-1 Maart 1941 niet op de kaarten aangeteekend worden.
Aan Heeren Hoofden van Diensten,
Bedrijven en Administratiën. Dit document is een administratieve instructie die de kille bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging en de repressie na de Februaristaking binnen de gemeente Amsterdam laat zien.
Kernpunten uit de instructie:
* Segregatie en Registratie: Er wordt specifiek gevraagd om de reden van ontslag nauwkeurig te registreren als iemand "Joodsch" is of heeft deelgenomen aan de staking van 25/26 februari 1941.
* Bestraffing van Solidariteit: Het document vermeldt dat ook ontslagen wegens het inzamelen van geld voor Joodse collega's of stakers apart geregistreerd moeten worden.
* Visuele markering: Namen van ontslagen personen moeten met "rood" worden doorgestreept, wat de definitieve uitsluiting uit het ambtenarenapparaat symboliseert.
* Statistische manipulatie: Er worden complexe instructies gegeven over het wel of niet noteren van loon en uren over de periode dat de Joodse ambtenaren al op non-actief waren gesteld, puur om de gemeentelijke gemiddelden niet te vertekenen. In november 1940 moesten alle Nederlandse ambtenaren de zogeheten 'Ariërverklaring' tekenen. Kort daarna werden Joodse ambtenaren geschorst en per 1 maart 1941 officieel ontslagen door de Duitse bezetter.
Dit document dateert van oktober 1941, ruim een half jaar na die ontslagen en de Februaristaking. Het laat zien hoe de Amsterdamse bureaucratie, onder toezicht van de bezetter, deze zuiveringen administratief afrondde. De verwijzing naar "hooger gezag" is een eufemisme voor de Duitse bezettingsautoriteiten. Het document is een bewijsstuk van de actieve medewerking van het gemeentelijk apparaat aan de uitsluiting van een deel van haar eigen burgerij en personeel.