Archief 745
Inventaris 745-345
Pagina 386
Dossier 55
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtsbrief / Dienstvoorschrift van de Gemeente Amsterdam.

3 december 1941. Van: De Directeur der Afdeeling Arbeidszaken (ondertekend namens deze door W.F. van Rooyen). Aan: Heeren Hoofden van Diensten, Bedrijven en Administratiën van de Gemeente Amsterdam.

Origineel

Ambtsbrief / Dienstvoorschrift van de Gemeente Amsterdam. 3 december 1941. De Directeur der Afdeeling Arbeidszaken (ondertekend namens deze door W.F. van Rooyen). Heeren Hoofden van Diensten, Bedrijven en Administratiën van de Gemeente Amsterdam. P/B. Nº 0A/128/1 M. 1941 4/12
GEMEENTE AMSTERDAM.

No. 2182 Arb.1941.

Onderwerp: Uitkeeringen aan AMSTERDAM, 3 December 1941.
ontslagen 57- en 60-jarige
werklieden en ambtenaren en W. th. Brinkman [handgeschreven]
aan ontslagen personeel van
Joodschen bloede.

        Hiermede moge ik Uw aandacht voor het volgende vragen.

A. In de maand Januari van elk jaar worden door de dienst-
takken aan mijn afdeeling opgaven verstrekt van de bedragen over
het laatst verloopen jaar, uitgekeerd aan de werklieden en ambte-
naren, die, als gevolg van een byzonderen maatregel, genomen ter
verruiming van de werkgelegenheid, sedert het jaar 1934 ontsla-
gen zijn wegens het bereiken van den 57- of 60 jarigen of oude-
ren leeftijd.
Nu deze opgaven niet meer dienstig zijn ten behoeve
van de Belastingadministratie, kunnen zij eenvoudiger worden
opgezet.
Vervallen kan : a de indiening in duplo, b de nomina-
tieve vermelding, c de vermelding der woonadressen, d de aan-
teekening van overlijden, pensionneering enz.
Volstaan kan thans worden met een opgave, gesplitst
naar de groepen:
a. de in 1934, 1936 en in latere jaren ontslagen 57-jarige en
oudere werklieden;
b. de in 1936 ontslagen 60-jarige en oudere werklieden ;
c. de in 1936 en in latere jaren ontslagen 60-jarige en
oudere ambtenaren,
met vermelding van het totaal-aantal personen, dat per groep
a, b en c uitkeering heeft genoten en het totale-bruto-bedrag,
dus zonder aftrek van premie voor weduwen- en weezenpensioen,
dat per groep a, b en c is uitbetaald.

B. In verband met het ontslag per 1 Maart 1941, verleend
aan het personeel van Joodschen bloede, verzoek ik U mij, te-
gelijk met de opgaven hierboven onder A bedoeld, een opgave te
doen toekomen van de bruto-bedragen, welke aan dat personeel
over het tijdvak 1 Maart-31 December 1941 zijn uitbetaald.
Deze opgaven kunnen, overeenkomstig het bepaalde on-
der II, 5o in het besluit van den Regeeringscommissaris van 7
Maart 1941, No. 1497b y Arb. 1940, slechts betreffen het perso-
neel, dat in tijdelijken, niet-pensiongerechtigden dienst was
en het personeel, dat werkzaam was op een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht, daar de opgaven, betrekking hebbende op
het personeel, dat in pensioengerechtigden dienst was, door het
Pensioenbureau zullen worden verzorgd.
Ik verzoek U de opgaven gesplitst naar ambtenaren en werklie
den nominatief te doen opmaken en te willen totaliseeren.

                                     De Directeur der
                                 Afdeeling Arbeidszaken,

Aan Heeren Hoofden van b.a.
Diensten, Bedrijven en [Handtekening: W.F. van Rooyen]
Administratiën. Arb.Z., Stadhuis
A'dam, Dec.'41. Dit document is een intern administratief schrijven van de Gemeente Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Het valt uiteen in twee delen:

  1. Sectie A (Oudere werknemers): Dit betreft een vereenvoudiging van de rapportage over werknemers die sinds 1934 vervroegd waren ontslagen (een crisismaatregel uit de jaren '30 om werkplekken vrij te maken voor jongeren). De gedetailleerde rapportage (met adressen en namen) is niet langer nodig voor de belastingdienst.
  2. Sectie B (Joods personeel): Dit deel is historisch significant. Het geeft instructies voor de financiële verantwoording van uitbetalingen aan personeel "van Joodschen bloede" dat per 1 maart 1941 was ontslagen. Er wordt expliciet gevraagd om een nominatieve lijst (een lijst met namen) van dit personeel, gesplitst naar ambtenaren en werklieden die geen reguliere pensioenrechten hadden.

De toon van het document is strikt zakelijk en bureaucratisch, waarbij de vervolging en uitsluiting van een specifieke bevolkingsgroep wordt behandeld als een louter administratieve handeling. Dit document dateert van december 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de bezetting. In november 1940 waren alle Joodse ambtenaren in Nederland al geschorst, gevolgd door hun definitieve ontslag op 1 maart 1941 op last van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart).

De verwijzing in de tekst naar de "Regeeringscommissaris van 7 Maart 1941" duidt op de nieuwe bestuursstructuur in Amsterdam: de gekozen gemeenteraad en wethouders waren door de bezetter naar huis gestuurd, en de stad werd bestuurd door een regeringscommissaris (burgemeester Edward Voûte), die direct ondergeschikt was aan de Duitse autoriteiten.

Het document illustreert de verregaande medewerking van het gemeentelijk apparaat aan de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen. Het systematisch registreren van ontslagen Joodse medewerkers en hun uitbetaalde bedragen was een essentieel onderdeel van het proces van uitsluiting en de uiteindelijke ontneming van alle middelen van bestaan voor Joodse burgers.

Samenvatting

Dit document is een intern administratief schrijven van de Gemeente Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Het valt uiteen in twee delen:

  1. Sectie A (Oudere werknemers): Dit betreft een vereenvoudiging van de rapportage over werknemers die sinds 1934 vervroegd waren ontslagen (een crisismaatregel uit de jaren '30 om werkplekken vrij te maken voor jongeren). De gedetailleerde rapportage (met adressen en namen) is niet langer nodig voor de belastingdienst.
  2. Sectie B (Joods personeel): Dit deel is historisch significant. Het geeft instructies voor de financiële verantwoording van uitbetalingen aan personeel "van Joodschen bloede" dat per 1 maart 1941 was ontslagen. Er wordt expliciet gevraagd om een nominatieve lijst (een lijst met namen) van dit personeel, gesplitst naar ambtenaren en werklieden die geen reguliere pensioenrechten hadden.

De toon van het document is strikt zakelijk en bureaucratisch, waarbij de vervolging en uitsluiting van een specifieke bevolkingsgroep wordt behandeld als een louter administratieve handeling.

Historische Context

Dit document dateert van december 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de bezetting. In november 1940 waren alle Joodse ambtenaren in Nederland al geschorst, gevolgd door hun definitieve ontslag op 1 maart 1941 op last van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart).

De verwijzing in de tekst naar de "Regeeringscommissaris van 7 Maart 1941" duidt op de nieuwe bestuursstructuur in Amsterdam: de gekozen gemeenteraad en wethouders waren door de bezetter naar huis gestuurd, en de stad werd bestuurd door een regeringscommissaris (burgemeester Edward Voûte), die direct ondergeschikt was aan de Duitse autoriteiten.

Het document illustreert de verregaande medewerking van het gemeentelijk apparaat aan de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen. Het systematisch registreren van ontslagen Joodse medewerkers en hun uitbetaalde bedragen was een essentieel onderdeel van het proces van uitsluiting en de uiteindelijke ontneming van alle middelen van bestaan voor Joodse burgers.

Kooplieden in dit dossier 100

A. Donkers Uilenburg V
A. Kaas Uilenburg V
A. Kerkhoff Uilenburg V
A. Klaassen Uilenburg
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
B. Velthuis Uilenburg
C. Blom Uilenburg
C.W. Egberts Uilenburg Augustus 1941
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6