Archief 745
Inventaris 745-345
Pagina 412
Dossier 44
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief.

12 december 1941. Van: Onbekend (waarschijnlijk een diensthoofd van de gemeente Amsterdam, vermoedelijk van het Marktwezen).

Origineel

Getypte ambtelijke brief. 12 december 1941. Onbekend (waarschijnlijk een diensthoofd van de gemeente Amsterdam, vermoedelijk van het Marktwezen). VD/HG.

8A/131/1 N.

12 December 1941.

Positieverbetering van
eenige ambtenaren.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Zooals U bekend is, heb ik, wat betreft de herzie-
ning van de positie van een aantal ambtenaren van mijn dienst,
gewacht, totdat was voorzien in de vacatures in de leiding van
het Marktwezen. In een en ander is thans voorzien, waarbij in
plaats van de functies Hoofdambtenaar (plaatsvervangend Direc-
teur) en Secretaris thans alleen is gekomen de functie Secre-
taris-plaatsvervangend Directeur. Deze wijziging heeft mede-
gebracht een andere verdeeling van werkzaamheden, waarbij be-
paalde werkzaamheden van den vroegeren Hoofdambtenaar en den
vroegeren Secretaris zijn overgegaan op andere ambtenaren van
den dienst.

Er is thans aanleiding om deels als gevolg van boven-
bedoelde wijzigingen, deels omdat enkele functies reeds voor-
dien mijns inziens te laag waren gewaardeerd, de indeeling
van verschillende functies aan een herziening te onderwerpen.
Tevens dient thans de positie geregeld te worden van een
ambtenaar, welke in verband met het ontslag van een Joodschen
ambtenaar aan de Vischmarkt, diens werkzaamheden heeft overge-
nomen, terwijl ik ten slotte op nader te vermelden gronden,
reden vind de positie van een der marktopzichters in deze her-
ziening te betrekken.

Een en ander geeft mij aanleiding U beleefd te ver-
zoeken wel te willen bevorderen, dat de positie van onder-
staande ambtenaren van mijn dienst met ingang van 1 Januari
1942 wordt verbeterd, zooals bij ieder hunner wordt aangege-
ven. Ik merk hierbij nog op, dat ik mij voorstel U binnen af-
zienbaren tijd (nadat het onderzoek van de door het Rijk in-
gestelde "Commissie tot onderzoek van de financiën der Ge-
meente Amsterdam", waarbij momenteel mijn dienst aan een
onderzoek wordt onderworpen, zal zijn geëindigd) omtrent de
algeheele formatie van het personeel te rapporteeren.

De onderstaande ambtenaren verrichten echter sedert
geruimen tijd aanmerkelijk belangrijker werk, dan dat, ver-
bonden aan de functie, waarin zij thans zijn ingedeeld, zoodat
ik, mede in verband met het gestelde in het Besluit van Burge-
meester en Wethouders d.d. 10 Juni 1940 No. 778 Arb. 1940 van
meening ben, dat het onthouden van onderstaande bevorderingen
beslist onredelijk zou zijn. In dit document verzoekt een niet bij naam genoemd diensthoofd de Wethouder voor de Levensmiddelen in Amsterdam om de promotie van een aantal ambtenaren binnen de dienst Marktwezen.

De schrijver voert drie hoofdredenen aan voor deze herziening:
1. Reorganisatie van de top: De functies van Hoofdambtenaar en Secretaris zijn samengevoegd, wat heeft geleid tot een verschuiving van taken naar lagere ambtenaren.
2. Onderwaardering: Een aantal functies was volgens de schrijver al langer te laag ingeschaald.
3. Personele gevolgen van de bezettingsmaatregelen: Een specifieke ambtenaar heeft de taken overgenomen van een "ontslagen Joodschen ambtenaar" aan de Vischmarkt.

De schrijver verwijst naar een breed financieel onderzoek door een rijkscommissie naar de financiën van de gemeente Amsterdam, maar vindt dat deze specifieke bevorderingen niet kunnen wachten, aangezien de betreffende ambtenaren al lange tijd zwaarder werk verrichten dan hun huidige inschaling rechtvaardigt. Hij beroept zich hierbij op een besluit van B&W uit juni 1940. Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De datum, december 1941, is cruciaal.

De terloopse opmerking over het "ontslag van een Joodschen ambtenaar" verwijst direct naar de antisemitische maatregelen van de bezetter. In het najaar van 1940 moesten alle ambtenaren de 'Ariërverklaring' tekenen. Kort daarna, in november 1940, werden Joodse ambtenaren geschorst, gevolgd door definitief ontslag in februari 1941. Dit document toont de bureaucratische afwikkeling hiervan: het werk moest doorgaan en niet-Joodse collega's namen de taken over en eisten (via hun oversten) de bijbehorende waardering en betaling op.

Het feit dat de brief gericht is aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" onderstreept het belang van het Marktwezen in oorlogstijd. Vanwege de toenemende schaarste en distributie was het beheer van de markten een vitale taak voor de stad Amsterdam. De genoemde "Commissie tot onderzoek van de financiën" duidt op de verscherpte controle van het Rijk (onder toezicht van de bezetter) op de gemeentelijke huishouding.

Samenvatting

In dit document verzoekt een niet bij naam genoemd diensthoofd de Wethouder voor de Levensmiddelen in Amsterdam om de promotie van een aantal ambtenaren binnen de dienst Marktwezen.

De schrijver voert drie hoofdredenen aan voor deze herziening:
1. Reorganisatie van de top: De functies van Hoofdambtenaar en Secretaris zijn samengevoegd, wat heeft geleid tot een verschuiving van taken naar lagere ambtenaren.
2. Onderwaardering: Een aantal functies was volgens de schrijver al langer te laag ingeschaald.
3. Personele gevolgen van de bezettingsmaatregelen: Een specifieke ambtenaar heeft de taken overgenomen van een "ontslagen Joodschen ambtenaar" aan de Vischmarkt.

De schrijver verwijst naar een breed financieel onderzoek door een rijkscommissie naar de financiën van de gemeente Amsterdam, maar vindt dat deze specifieke bevorderingen niet kunnen wachten, aangezien de betreffende ambtenaren al lange tijd zwaarder werk verrichten dan hun huidige inschaling rechtvaardigt. Hij beroept zich hierbij op een besluit van B&W uit juni 1940.

Historische Context

Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De datum, december 1941, is cruciaal.

De terloopse opmerking over het "ontslag van een Joodschen ambtenaar" verwijst direct naar de antisemitische maatregelen van de bezetter. In het najaar van 1940 moesten alle ambtenaren de 'Ariërverklaring' tekenen. Kort daarna, in november 1940, werden Joodse ambtenaren geschorst, gevolgd door definitief ontslag in februari 1941. Dit document toont de bureaucratische afwikkeling hiervan: het werk moest doorgaan en niet-Joodse collega's namen de taken over en eisten (via hun oversten) de bijbehorende waardering en betaling op.

Het feit dat de brief gericht is aan de "Wethouder voor de Levensmiddelen" onderstreept het belang van het Marktwezen in oorlogstijd. Vanwege de toenemende schaarste en distributie was het beheer van de markten een vitale taak voor de stad Amsterdam. De genoemde "Commissie tot onderzoek van de financiën" duidt op de verscherpte controle van het Rijk (onder toezicht van de bezetter) op de gemeentelijke huishouding.

Kooplieden in dit dossier 100

A. Donkers Uilenburg V
A. Kaas Uilenburg V
A. Kerkhoff Uilenburg V
A. Klaassen Uilenburg
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
Ass.bedrijfschef P.Lastmankade 37 II
B. Velthuis Uilenburg
C. Blom Uilenburg
C.W. Egberts Uilenburg Augustus 1941
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6