Archief 745
Inventaris 745-358
Pagina 137
Dossier 44
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen.

24 mei 1941 (verzonden op 26 mei 1941). Van: Vermoedelijk de directeur van de Vischmarkt of een gerelateerde gemeentelijke dienst (geparafeerd/ondertekend door M. Müller).

Origineel

Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen. 24 mei 1941 (verzonden op 26 mei 1941). Vermoedelijk de directeur van de Vischmarkt of een gerelateerde gemeentelijke dienst (geparafeerd/ondertekend door M. Müller). (Handgeschreven, rechtsboven:) M. Müller
(Getypt:) D/HG.
(Handgeschreven, blauw potlood:) Verzonden 26/5
(Getypt:) 46A/8/3 M.
24 Mei 1941.

Omzetbelasting
Vischmarkt.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

In aansluiting op mijn brief van 9 April jl. No. 46A/15/2 M. (en onder verwijzing naar mijn brief van 23 Januari jl. No. 46A/6/1 M., voor zoover betreft het doorberekenen van de omzetbelasting) waarin ik U onder andere rapporteerde over de moeilijkheden, die mijn dienst ondervond in verband met de vaststelling van maximumprijzen voor zoetwatervisch, heb ik de eer U het volgende te berichten.

De nadeelen, die het bedrijf van de Vischmarkt tot heden heeft ondervonden als gevolg van het vaststellen van maximumprijzen voor zoetwatervisch, waardoor het doorberekenen van de omzetbelasting in den vorm van het heffen van administratiekosten slechts tot aan het bedrag der maximumprijzen toelaatbaar werd en, wanneer de visch tegen de maximumprijzen werd gemijnd, zelfs geheel achterwege moest blijven, zijn tot heden niet groot geweest. Dit houdt verband met de omstandigheid, dat de vischtijd voor de meeste zoetwatervischsoorten tot 1 Juni a.s. gesloten is. Het laat zich aanzien, dat na 1 Juni a.s. weder groote partijen zoetwatervisch ter markt zullen worden aangevoerd en dat de maximumprijzen, gezien de bijzondere tijdsomstandigheden, als regel steeds zullen worden bereikt.

Voor de zeevisch zijn tot heden geen maximumprijzen voor iedere groep van verkoopers (namelijk visscher, grossier en detaillist) vastgesteld, doch wel maximum winstmarges (namelijk voor den grossier en voor den detaillist, doch niet voor den visscher).

De mogelijkheid is echter niet uitgesloten, dat in de toekomst, gezien de moeilijke contrôle op de prijzen bij dit stelsel, ook voor zeevisch maximumprijzen zullen worden bepaald. In dat geval zullen dus ook voor deze vischsoorten, bij het bereiken van den maximumprijs, geen administratiekosten in rekening mogen worden gebracht. Een en ander zou dus beteekenen, dat de omzetbelasting van visch, waarvoor de vischafslag mede aansprakelijk is, geheel ten laste van de Gemeente zou komen. Deze brief legt een specifiek fiscaal-economisch probleem bloot tijdens de vroege jaren van de Duitse bezetting in Nederland. De kern van het probleem is de botsing tussen de omzetbelasting en de door de overheid opgelegde maximumprijzen.

  1. Doorberekening van belasting: De visafslag (de "Vischmarkt") fungeert als tussenpersoon die de omzetbelasting moet innen. Zij doen dit door "administratiekosten" bovenop de prijs van de vis te rekenen.
  2. Het prijsplafond: Vanwege de oorlogsschaarste heeft de overheid maximumprijzen vastgesteld om prijsopdrijving te voorkomen. Wanneer vis wordt "gemijnd" (gekocht op de afslag) tegen de maximale prijs, mag er wettelijk geen cent meer bij. Dit betekent dat de administratiekosten (de verkapte omzetbelasting) niet meer aan de koper kunnen worden doorberekend.
  3. Financieel risico voor de gemeente: Omdat de visafslag een gemeentelijke instelling is en wel aansprakelijk blijft voor de afdracht van de belasting, moet de gemeente dit tekort zelf aanzuiveren.
  4. Verwachte escalatie: De schrijver waarschuwt dat dit probleem na 1 juni (opening van het zoetwatervisseizoen) groter zal worden, omdat de vraag zo hoog is dat de maximumprijzen "als regel steeds zullen worden bereikt". Ook wordt gevreesd dat dit systeem naar zeevis zal worden uitgebreid. In mei 1941 was de Nederlandse economie reeds volledig onderworpen aan de distributie en prijsbeheersing van de bezetter. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale functie in oorlogstijd, verantwoordelijk voor de voedselvoorziening in de gemeente.

De brief illustreert hoe de bureaucratie probeerde te functioneren onder de druk van stringente prijsvoorschriften. De term "bijzondere tijdsomstandigheden" is een eufemisme voor de oorlog en de daaruit voortvloeiende schaarste. Het document toont aan dat lokale overheden worstelden met de vraag hoe zij hun wettelijke taken (belastinginning) moesten uitvoeren zonder zelf failliet te gaan aan de prijsmaatregelen die bedoeld waren om de markt te stabiliseren.

Samenvatting

Deze brief legt een specifiek fiscaal-economisch probleem bloot tijdens de vroege jaren van de Duitse bezetting in Nederland. De kern van het probleem is de botsing tussen de omzetbelasting en de door de overheid opgelegde maximumprijzen.

  1. Doorberekening van belasting: De visafslag (de "Vischmarkt") fungeert als tussenpersoon die de omzetbelasting moet innen. Zij doen dit door "administratiekosten" bovenop de prijs van de vis te rekenen.
  2. Het prijsplafond: Vanwege de oorlogsschaarste heeft de overheid maximumprijzen vastgesteld om prijsopdrijving te voorkomen. Wanneer vis wordt "gemijnd" (gekocht op de afslag) tegen de maximale prijs, mag er wettelijk geen cent meer bij. Dit betekent dat de administratiekosten (de verkapte omzetbelasting) niet meer aan de koper kunnen worden doorberekend.
  3. Financieel risico voor de gemeente: Omdat de visafslag een gemeentelijke instelling is en wel aansprakelijk blijft voor de afdracht van de belasting, moet de gemeente dit tekort zelf aanzuiveren.
  4. Verwachte escalatie: De schrijver waarschuwt dat dit probleem na 1 juni (opening van het zoetwatervisseizoen) groter zal worden, omdat de vraag zo hoog is dat de maximumprijzen "als regel steeds zullen worden bereikt". Ook wordt gevreesd dat dit systeem naar zeevis zal worden uitgebreid.

Historische Context

In mei 1941 was de Nederlandse economie reeds volledig onderworpen aan de distributie en prijsbeheersing van de bezetter. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale functie in oorlogstijd, verantwoordelijk voor de voedselvoorziening in de gemeente.

De brief illustreert hoe de bureaucratie probeerde te functioneren onder de druk van stringente prijsvoorschriften. De term "bijzondere tijdsomstandigheden" is een eufemisme voor de oorlog en de daaruit voortvloeiende schaarste. Het document toont aan dat lokale overheden worstelden met de vraag hoe zij hun wettelijke taken (belastinginning) moesten uitvoeren zonder zelf failliet te gaan aan de prijsmaatregelen die bedoeld waren om de markt te stabiliseren.

Kooplieden in dit dossier 100

Aal en paling boven de 250 gram ƒ 2,44
Aal en paling tot 70 gram „ 1,04
Aal en paling van 125—250 gram „ 2,23
Aal en paling van 70—125 gram „ 1,78
As. v. Wygert.
Blei boven 1 pond en kroeskarper ........ ,, 0,34
Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg. en kroeskarper 0,34
Alle 100 kooplieden →