Afschrift van een burgemeestersbesluit (beschikking).
Origineel
Afschrift van een burgemeestersbesluit (beschikking). De Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte) en de Gemeentesecretaris (J.F. Franken). No 39/65/41 [handgeschreven] 28/5 [handgeschreven] JW [handgeschreven]
Afschrift
No. 223 L. M. 194 2
[Wapen van Amsterdam] [Handgeschreven paraaf in blauwe inkt] [Rood rond stempel met letter 'w']
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan Abraham Dingsdag, geboren 9 Februari 1897, wonende Retiefstraat 99 II, bij beschikking dd. 21 Juli 1941, no. 5/95 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats ten verkoop van bloemen, op den openbaren weg, het doorloopend verhoogde voetpad van de Pretoriusstraat voor perceel 98, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 25 April 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voûte
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
K 350 Dit document is een officiële intrekking van een marktvergunning. Abraham Dingsdag had op 21 juli 1941 toestemming gekregen voor een vaste bloemenkraam op de stoep van de Pretoriusstraat, tegenover nummer 98. Met dit besluit wordt die vergunning met terugwerkende kracht per 13 januari 1942 ingetrokken.
Het document is ondertekend door de pro-Duitse burgemeester Edward John Voûte en gemeentesecretaris J.F. Franken. De code "GM" staat waarschijnlijk voor Gemeentemarkten. De handgeschreven nummers bovenin zijn administratieve verwijzingen voor het archief. Het document dateert uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De intrekking van de vergunning van Abraham Dingsdag moet gezien worden in het licht van de anti-Joodse maatregelen die stapsgewijs werden ingevoerd.
Abraham Dingsdag was een Joodse Amsterdammer. In de loop van 1941 en 1942 vaardigde de bezetter, vaak uitgevoerd door het collaborerende Amsterdamse stadsbestuur, talloze verordeningen uit die Joden uitsloten van het economisch leven. Joden mochten eerst geen handel meer drijven op markten, en later werd hen elke vorm van straathandel verboden. De datum van 13 januari 1942 in dit document markeert het moment waarop dit specifieke verbod voor hem effectief werd.
De locaties die in het document worden genoemd, de Retiefstraat en de Pretoriusstraat, liggen in de Transvaalbuurt, een wijk die destijds een zeer grote Joodse populatie kende. Abraham Dingsdag werd later, zoals de overgrote meerderheid van de Joodse Amsterdammers, gedeporteerd. Volgens gegevens van het Joods Monument is hij op 31 maart 1944 omgekomen in Midden-Europa. Dit document vormt een administratief spoor van de stelselmatige beroving en uitsluiting die aan de deportaties voorafging. E.J. Vo J.F. Franken