Administratieve notitie/dossierkaart.
Origineel
Administratieve notitie/dossierkaart. Februari – april 1942 (verschillende datering in handschrift en stempel). [Bovenaan:]
J. Presser. Marnixstraat 204.
heeft zaak moeten beëindigen.
vraagt restitutie jaarkaart 1942.
Voorstel maken tot teruggave van
~~betaald~~ entreegeld krachtens art 36 V.v.S.
op grond van billijkheid
[Rechtsboven in potlood:]
model
voorstel
typen
10,=
restitutie
[Midden:]
202 f 10.-
[In rood:] dec 2-2-42 [geparafeerd]
[Onderste helft:]
Dir. Th. Brouse [?]
Presser is echter sinds [doorgehaald: heeft echter sinds]
op de C.M. gekomen als
personeel van zijn vader?
[Groot in potlood erdoorheen:] afgedaan
Moet hij als zoodanig
kaart nemen?!
[Stempel:] 27 FEB. 1942
[In rood rechts:] sinds wanneer niet gedaan
[Onderaan links:]
voorstel restitutie?
2/4 '42 [geparafeerd]
[Onderaan midden:]
af 22-3-42 [geparafeerd] [...] jaarkaart
[Onderaan rechts in rood:]
2 Op die datum was ook weer kaart moeten zijn ingetrokken. Waarom niet gedaan? [geparafeerd] Het document is een interne administratieve notitie betreffende de historicus Jacques Presser (bekend van zijn latere werk Ondergang). De kern van de zaak is een aanvraag tot restitutie van het entreegeld voor een 'jaarkaart' van het jaar 1942, ter waarde van 10 gulden.
Presser voert als reden aan dat hij zijn "zaak" (werkzaamheden) heeft moeten beëindigen, wat direct refereert aan de anti-Joodse maatregelen die hem in die periode brodeloos maakten. De ambtenaren discussiëren over de "billijkheid" van de teruggave. Er ontstaat echter verwarring omdat Presser inmiddels bij zijn vader werkzaam zou zijn bij de "C.M." (waarschijnlijk de Centrale Melding of een administratieve afdeling van de Joodse Raad). De aantekeningen in rood tonen een kritische controleur die zich afvraagt waarom de kaart niet al eerder was ingetrokken volgens de toen geldende restricties voor Joden. In februari 1942 was de uitsluiting van Joodse burgers uit het openbare leven in Nederland in een vergevorderd stadium. Jacques Presser was reeds eind 1940 ontslagen als leraar bij het Vossius Gymnasium. In 1941 en 1942 werden Joodse burgers stap voor stap beroofd van hun rechten, bezittingen en bewegingsvrijheid (waaronder beperkingen op het gebruik van openbaar vervoer, vandaar de kwestie rond de 'jaarkaart').
De "C.M." verwijst hier vermoedelijk naar de administratieve machinerie van of rond de Joodse Raad, waar velen een (tijdelijke) 'Sperre' (vrijstelling van deportatie) probeerden te verkrijgen door als personeel geregistreerd te staan. Dit document illustreert de kille, bureaucratische afhandeling van individuele financiële belangen in een tijd waarin het dagelijks leven voor Joden onmogelijk werd gemaakt. J. Presser
Samenvatting
Het document is een interne administratieve notitie betreffende de historicus Jacques Presser (bekend van zijn latere werk Ondergang). De kern van de zaak is een aanvraag tot restitutie van het entreegeld voor een 'jaarkaart' van het jaar 1942, ter waarde van 10 gulden.
Presser voert als reden aan dat hij zijn "zaak" (werkzaamheden) heeft moeten beëindigen, wat direct refereert aan de anti-Joodse maatregelen die hem in die periode brodeloos maakten. De ambtenaren discussiëren over de "billijkheid" van de teruggave. Er ontstaat echter verwarring omdat Presser inmiddels bij zijn vader werkzaam zou zijn bij de "C.M." (waarschijnlijk de Centrale Melding of een administratieve afdeling van de Joodse Raad). De aantekeningen in rood tonen een kritische controleur die zich afvraagt waarom de kaart niet al eerder was ingetrokken volgens de toen geldende restricties voor Joden.
Historische Context
In februari 1942 was de uitsluiting van Joodse burgers uit het openbare leven in Nederland in een vergevorderd stadium. Jacques Presser was reeds eind 1940 ontslagen als leraar bij het Vossius Gymnasium. In 1941 en 1942 werden Joodse burgers stap voor stap beroofd van hun rechten, bezittingen en bewegingsvrijheid (waaronder beperkingen op het gebruik van openbaar vervoer, vandaar de kwestie rond de 'jaarkaart').
De "C.M." verwijst hier vermoedelijk naar de administratieve machinerie van of rond de Joodse Raad, waar velen een (tijdelijke) 'Sperre' (vrijstelling van deportatie) probeerden te verkrijgen door als personeel geregistreerd te staan. Dit document illustreert de kille, bureaucratische afhandeling van individuele financiële belangen in een tijd waarin het dagelijks leven voor Joden onmogelijk werd gemaakt.