Archief 745
Inventaris 745-388
Pagina 370
Dossier 103
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijke brief/memorandum.

8 april 1942. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt Amsterdam). Aan: De Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam.

Origineel

Ambtelijke brief/memorandum. 8 april 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt Amsterdam). De Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam. [Rechtsboven handgeschreven:] un Richter [?]

VB/HG.

53/42/1 M.
8 April 1942.

Restitutie entréegeld
Centrale Markt ten
name van J. Presser.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de gros-
sier J. Presser, Marnixstraat 204, naar hij heeft medegedeeld,
zijn zaak op last van den Rijkscommissaris in October 1941
heeft moeten liquideeren. Presser had het op de Centrale Markt
verschuldigde entréegeld ad ƒ 10,- voor het kalenderjaar 1942
betaald. Aangezien Presser voornoemd op de Centrale Markt
geen zaken meer heeft kunnen doen, daar hem geen toegang meer
tot die markt wordt verleend, verzoekt hij een bedrag van
ƒ 10,- aan hem te restitueeren, welk verzoek mij billijk voor-
komt.

Ik geef U beleefd in overweging wel te willen be-
vorderen, dat aan Presser voornoemd, op grond van het bepaalde
in artikel 36 van de Verordening op de Heffing van markt-,
standplaats- en ventgelden, op gronden van billijkheid door
den Burgemeester teruggave van betaald entréegeld wordt toe-
gestaan tot een bedrag van ƒ 10,-.

De Directeur,

[Linksonder handgeschreven aantekening, deels onleesbaar:]
Overgegaan [...]
hand [...] 1942
[...]
[...] Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting van Nederland.

  • De kern van de zaak: Grossier J. Presser (Jonas Presser, die een textielgroothandel dreef aan de Marnixstraat 204) heeft zijn zaak op last van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart) moeten liquideren in oktober 1941. Omdat hij reeds 10 gulden aan toegangsgeld voor de Centrale Markt voor het jaar 1942 had vooruitbetaald, maar hem de toegang tot de markt was ontzegd, vraagt hij dit bedrag terug.
  • Uitsluiting: De brief vermeldt expliciet dat hem "geen toegang meer tot die markt wordt verleend". Dit was een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen waarbij Joden stelselmatig uit het economische en openbare leven werden geweerd. Vanaf september 1941 werden Joden verboden markten te bezoeken.
  • Taalgebruik: De toon van de brief is uiterst formeel en ambtelijk ("heb ik de eer U te berichten", "welk verzoek mij billijk voorkomt"). Er wordt zakelijk verwezen naar de liquidatie "op last van den Rijkscommissaris" zonder de achterliggende discriminerende reden (het Jood-zijn van de ondernemer) expliciet te benoemen, hoewel dit voor alle betrokkenen duidelijk was.
  • Rechtsgrond: De directeur van de markt steunt het verzoek op basis van "billijkheid" en verwijst naar een specifiek artikel in de geldende marktverordening om de teruggave juridisch te legitimeren. In 1941 en 1942 voerden de Duitse bezetters de druk op de Joodse bevolking in Nederland drastisch op. Via verordeningen (zoals VO 189/1940 en VO 48/1941) werden Joodse bedrijven onder beheer gesteld van 'Verwalters' of gedwongen geliquideerd. De eigendommen en tegoeden werden veelal geroofd.

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Voor veel Joodse handelaren betekende het toegangsverbod het definitieve einde van hun nering. J. Presser in dit document is Jonas Presser. Hij en zijn familie werden slachtoffer van de Holocaust; Jonas Presser zelf werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit document toont de kille administratieve werkelijkheid die voorafging aan de fysieke deportatie: zelfs de teruggave van een klein bedrag aan marktgeld werd via de officiële weg van de wethouder en de burgemeester afgehandeld, terwijl de aanvrager reeds rechteloos was gemaakt.

Samenvatting

Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting van Nederland.

  • De kern van de zaak: Grossier J. Presser (Jonas Presser, die een textielgroothandel dreef aan de Marnixstraat 204) heeft zijn zaak op last van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart) moeten liquideren in oktober 1941. Omdat hij reeds 10 gulden aan toegangsgeld voor de Centrale Markt voor het jaar 1942 had vooruitbetaald, maar hem de toegang tot de markt was ontzegd, vraagt hij dit bedrag terug.
  • Uitsluiting: De brief vermeldt expliciet dat hem "geen toegang meer tot die markt wordt verleend". Dit was een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen waarbij Joden stelselmatig uit het economische en openbare leven werden geweerd. Vanaf september 1941 werden Joden verboden markten te bezoeken.
  • Taalgebruik: De toon van de brief is uiterst formeel en ambtelijk ("heb ik de eer U te berichten", "welk verzoek mij billijk voorkomt"). Er wordt zakelijk verwezen naar de liquidatie "op last van den Rijkscommissaris" zonder de achterliggende discriminerende reden (het Jood-zijn van de ondernemer) expliciet te benoemen, hoewel dit voor alle betrokkenen duidelijk was.
  • Rechtsgrond: De directeur van de markt steunt het verzoek op basis van "billijkheid" en verwijst naar een specifiek artikel in de geldende marktverordening om de teruggave juridisch te legitimeren.

Historische Context

In 1941 en 1942 voerden de Duitse bezetters de druk op de Joodse bevolking in Nederland drastisch op. Via verordeningen (zoals VO 189/1940 en VO 48/1941) werden Joodse bedrijven onder beheer gesteld van 'Verwalters' of gedwongen geliquideerd. De eigendommen en tegoeden werden veelal geroofd.

De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppende hart van de Amsterdamse voedselvoorziening. Voor veel Joodse handelaren betekende het toegangsverbod het definitieve einde van hun nering. J. Presser in dit document is Jonas Presser. Hij en zijn familie werden slachtoffer van de Holocaust; Jonas Presser zelf werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit document toont de kille administratieve werkelijkheid die voorafging aan de fysieke deportatie: zelfs de teruggave van een klein bedrag aan marktgeld werd via de officiële weg van de wethouder en de burgemeester afgehandeld, terwijl de aanvrager reeds rechteloos was gemaakt.

Kooplieden in dit dossier 100

Maurits Bilderbeek Uilenburg lappen enz.
Maurits Bilderbeek Waterlooplein gr. en fruit / lappen enz.
A. Meijer Waterlooplein 5-1-42
A. Meijer Waterlooplein fruit
A. Meyer Waterlooplein 12-1-42
A.A. Pakkoo Waterlooplein id.
A. Appelman Waterlooplein " "
B. Bakker. Waterlooplein Korsetten
Aaron Blaaser Uilenburg 8/8
A. Blaaser Uilenburg 8/8
Aron Boas Waterlooplein Joubertstraat
A. Boas 19-1-42
A. Boas Waterlooplein aardappelen, groenten en fruit
A. Boots Waterlooplein 1-6-42
A. Boots. Waterlooplein g.f.
A. Boots. Waterlooplein g.f.
A. Bouwmeester Waterlooplein a.g.f.
A. Bouwmeester Waterlooplein a.g.f.
A. Brinksma Waterlooplein ~~10-8-42~~
B.A. Pouw Waterlooplein 1-6-42
A.C. Boekelman Waterlooplein visch
A.C.J.Stuijtjes Uilenburg moss
A.C.J. Stultjes Uilenburg Stadionpl. mosselen
A.C. Seijmonsbergen Waterlooplein visch
A. David Uilenburg 13-4-42
Abraham de Groot Waterlooplein 1-6-42
A.V. de Jong Waterlooplein 28-1-42
Delleman Uilenburg 10/8
A. de Moel Waterlooplein 16-2-42
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6