Ambtelijke notitie/memo met betrekking tot een standplaatsvergunning.
Origineel
Ambtelijke notitie/memo met betrekking tot een standplaatsvergunning. Het document bevat verschillende data tussen 7 april 1942 en 7 oktober 1942. [Stempel linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 53/46/1 1942
DOORGEZONDEN: 7/4-42.
[Rechtsboven, handgeschreven]
391
Gezien door
L. v. Trooijen
1/5-'42.
[Midden, handgeschreven]
Insp.
Mag deze man nog
wel staan?
ls 5/5-'42
[Initialen]
[Onderste gedeelte, handgeschreven]
pr Mr.
Sluijter mag geen standplaats meer
innemen 11-5-'42
def.
[Doorgehaalde tekst]:
~~degeen die er staat dient te verdwijnen~~
~~mag niet blijven wel op een andere~~
~~plaats staan~~
Afgedaan
door Maatregelen
tegen de Joden
Tho. vG.
[Rechtsonder]
opbergen
7/10 '42.
[Linksonder, gedrukt]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 * Inhoud: Het document is een interne correspondentie tussen ambtenaren (waarschijnlijk van de gemeente of politie, gezien de afkorting 'Insp.' voor Inspecteur) over de vraag of een zekere heer Sluijter zijn 'standplaats' (bijv. een marktkraam of straathandel) mag behouden.
* Besluitvorming: De aanvankelijke onzekerheid ("Mag deze man nog wel staan?") wordt op 11 mei 1942 definitief beantwoord: hij mag geen standplaats meer innemen. De doorgehaalde regels suggereren dat er even werd overwogen hem naar een andere plek te verplaatsen, maar dit werd geschrapt.
* Bureaucratie van uitsluiting: De meest opvallende en historisch significante aantekening is "Afgedaan door Maatregelen tegen de Joden". Dit is een expliciete bevestiging dat de intrekking van de vergunning niet gebaseerd was op economische of ruimtelijke gronden, maar puur op de anti-Joodse verordeningen van de bezetter.
* Personen: De notities zijn ondertekend door verschillende functionarissen, waaronder L. v. Trooijen en een zekere 'Tho. vG.'. De naam Sluijter wijst op de betrokkene die door deze maatregel zijn bron van inkomsten verloor. Dit document is een treffend voorbeeld van de 'bureaucracy of the Holocaust' in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1940 en met name in 1941-1942 voerde de Duitse bezetter een reeks verordeningen in (zoals Verordening 189/1940 en 48/1941) om Joden uit het economische leven te bannen.
In mei 1941 werd het Joden verboden om markten en straathandel te bedrijven, behalve op specifiek aangewezen 'Joodse markten'. In de loop van 1942 werden de regels nog verder aangescherpt tot een totaalverbod op nagenoeg alle vormen van zelfstandige beroepsuitoefening. Dit document toont hoe deze abstracte verordeningen op lokaal niveau werden uitgevoerd door ambtenaren, die met een simpele pennenstreek de levensvatbaarheid van Joodse burgers vernietigden onder de noemer van "Afgedaan". M. No Politie
Samenvatting
- Inhoud: Het document is een interne correspondentie tussen ambtenaren (waarschijnlijk van de gemeente of politie, gezien de afkorting 'Insp.' voor Inspecteur) over de vraag of een zekere heer Sluijter zijn 'standplaats' (bijv. een marktkraam of straathandel) mag behouden.
- Besluitvorming: De aanvankelijke onzekerheid ("Mag deze man nog wel staan?") wordt op 11 mei 1942 definitief beantwoord: hij mag geen standplaats meer innemen. De doorgehaalde regels suggereren dat er even werd overwogen hem naar een andere plek te verplaatsen, maar dit werd geschrapt.
- Bureaucratie van uitsluiting: De meest opvallende en historisch significante aantekening is "Afgedaan door Maatregelen tegen de Joden". Dit is een expliciete bevestiging dat de intrekking van de vergunning niet gebaseerd was op economische of ruimtelijke gronden, maar puur op de anti-Joodse verordeningen van de bezetter.
- Personen: De notities zijn ondertekend door verschillende functionarissen, waaronder L. v. Trooijen en een zekere 'Tho. vG.'. De naam Sluijter wijst op de betrokkene die door deze maatregel zijn bron van inkomsten verloor.
Historische Context
Dit document is een treffend voorbeeld van de 'bureaucracy of the Holocaust' in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1940 en met name in 1941-1942 voerde de Duitse bezetter een reeks verordeningen in (zoals Verordening 189/1940 en 48/1941) om Joden uit het economische leven te bannen.
In mei 1941 werd het Joden verboden om markten en straathandel te bedrijven, behalve op specifiek aangewezen 'Joodse markten'. In de loop van 1942 werden de regels nog verder aangescherpt tot een totaalverbod op nagenoeg alle vormen van zelfstandige beroepsuitoefening. Dit document toont hoe deze abstracte verordeningen op lokaal niveau werden uitgevoerd door ambtenaren, die met een simpele pennenstreek de levensvatbaarheid van Joodse burgers vernietigden onder de noemer van "Afgedaan".