Archiefdocument
Origineel
HEEFT GOEDGEVONDEN :
1o. den verdachte te veroordeelen tot betaling van een geldboete van: Twintig Gulden (f. 20,-).
2o. verbeurd te verklaren de bij ~~proces-verbaal van den~~ voormeld rapport ---194- en voormeld proces-verbaal inbeslaggenomen goederen;
3o. ~~te bepalen, dat~~ de sluiting van het bedrijf van verdachte en stillegging van de bedrijfsmiddelen te bevelen voor den tijd van twee maanden ingaande op 31 Maart 1942, en het Hoofd der Politie der Gemeente Amsterdam op te dragen, om de sluiting voor ieder kenbaar te maken door aanplakking van deze maatregel op een in het oog vallende plaats bij den toegang van het perceel, waarin verdachte zijn bedrijf uitoefent, alsmede om nauwgezet te waken tegen en de opsporing te bevorderen van de overtredingen, genoemd in artikel 10 van het Prijsbeheerschingsbesluit;
4o. den verdachte te veroordeelen in de kosten ten beloope van Vijftien Gulden (f. 15,-), berekend overeenkomstig de bepalingen van het tarief voor tuchtstrafproceskosten van 23 Januari 1942.
AMSTERDAM, den 28 Maart 1942
De Inspecteur voornoemd,
[Handgeschreven handtekening: R Hattink]
Mr. R. B. Hattink,
Toegevoegd Inspecteur.
BETALING van de opgelegde boete moet geschieden binnen acht dagen na de uitreiking der ~~tucht-~~ de Inspecteur voor de Prijsbeheersching. beschikking door storting of overschrijving op postrekening No. 408.874 van voormelden Inspecteur.
Bij gebreke hiervan volgt tenuitvoerlegging der tuchtbeschikking.
BEROEP tegen tuchtbeschikkingen is mogelijk :
a. indien is opgelegd een geldboete van meer dan f 500.—, al of niet met een bijkomende straf;
b. indien is opgelegd een geldboete van f 500.— of minder, mits daarbij een bijkomende straf is opgelegd, uitgezonderd de bijkomende straf van openbaarmaking.
Beroep moet binnen veertien dagen na de uitreiking der tuchtbeschikking worden ingesteld bij een door den veroordeelde onderteekend beroepschrift, hetwelk moet worden ingediend bij den Gemachtigde voor de Prijzen te ’s-Gravenhage of bij den Inspecteur voor de Prijsbeheersching, door wien de beschikking in eersten aanleg genomen werd. HK./H.
K 1049 Dit document is een officiële veroordeling (tuchtbeschikking) wegens een overtreding van de economische wetgeving tijdens de Tweede Wereldoorlog. De verdachte wordt veroordeeld tot:
1. Een geldboete van 20 gulden.
2. Verbeurdverklaring van in beslag genomen goederen.
3. Een zeer zware sanctie: de sluiting van het bedrijf voor twee maanden (vanaf 31 maart 1942). De politie moet dit openbaar maken door aanplakking op het pand.
4. Betaling van proceskosten (15 gulden).
Opvallend is het gebruik van een invulformulier waarbij specifieke clausules (zoals bij punt 3) met een typemachine zijn toegevoegd over bestaande tekst. De correcties in de kleine lettertjes onderaan suggereren een bureaucratische aanpassing van de titels van de instanties. Het document dateert uit maart 1942, de periode van de Duitse bezetting van Nederland. In deze tijd was er sprake van schaarste en distributie, waardoor de bezetter de prijzen en de goederenstroom streng controleerde via het Prijsbeheerschingsbesluit.
De "Inspecteur voor de Prijsbeheersching" hield toezicht op prijsopdrijving en de zwarte handel. Om overtredingen snel af te kunnen handelen zonder de reguliere strafrechter te belasten, werd gebruikgemaakt van het economisch tuchtrecht. De opgelegde straf — het sluiten van een zaak voor twee maanden — was een ingrijpende maatregel die bedoeld was als afschrikking tegen prijsopdrijving. De ondertekenaar, Mr. R.B. Hattink, was onderdeel van het ambtelijke apparaat dat de economische orde moest handhaven. B. Hattink R.B. Hattink Gemeente Amsterdam Politie