Ambtelijke brief/geleidebrief.
Origineel
Ambtelijke brief/geleidebrief. 26 oktober 1943. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, gezien de context van de Jan van Galenstraat in Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). 37/35/12 M. 1 [ruimte] 26 October 1943. [ruimte] SV.
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U te
doen geworden een contract in duplo betreffen-
de het winkelhuis, Jan van Galenstraat no.18.
Ik moge U beleefd verzoeken wel te
willen bevorderen, dat dit contract door den
heer Burgemeester wordt geteekend. Daarna ge-
lieve U het mij te doen terugzenden, teneinde
voor registratie te kunnen zorgdragen.
De Directeur, Dit document is een formele begeleidende brief voor een contract in tweevoud (duplo). De "Directeur" verzoekt de "Wethouder voor de Levensmiddelen" om zorg te dragen voor de ondertekening van het contract door de burgemeester. Het gaat om een onroerend goed transactie of huurovereenkomst voor een winkelpand aan de Jan van Galenstraat 18.
De gehanteerde taal is uiterst formeel en hoffelijk, wat gebruikelijk was voor de Nederlandse bureaucratie in die tijd ("heb ik de eer U te doen geworden", "moge U beleefd verzoeken"). De brief toont de administratieve hiërarchie aan: een directeur bereidt de stukken voor, de wethouder fungeert als tussenpersoon, en de burgemeester zet de definitieve handtekening. De datum, 26 oktober 1943, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Jan van Galenstraat is een bekende straat in Amsterdam-West.
De "Wethouder voor de Levensmiddelen" had in deze periode een cruciale en zware taak vanwege de schaarste en het distributiesysteem. Dat de gemeente betrokken is bij een contract voor een specifiek winkelhuis kan verschillende redenen hebben: het zou kunnen gaan om de vordering of herbestemming van een pand voor de voedselvoorziening, of om regulier beheer van gemeentelijk vastgoed. In de context van 1943 werden ook veel panden die ontnomen waren aan Joodse eigenaren administratief verwerkt door gemeentelijke instanties of door de bezetter aangestelde bewindvoerders, hoewel dit specifieke document daar geen directe details over geeft buiten het adres.