Ambtelijke notitie / memo-resumé
Origineel
Ambtelijke notitie / memo-resumé 2 november 1943 Tekst tussen vierkante haken [ ] duidt op doorgehaalde of verbeterde woorden in het origineel.
Aanvoer mosselen
(linksboven, onderstreept)
A'dam, 2/11 1943
W. h. 11
460/3/24 ᵃ
Ingevolge
[In aansluiting] op een telefonisch gesprek, dat de Inspecteur van onzen Dienst een dezer dagen met uwen heer Bergveld mocht voeren over den aanvoer van mosselen naar A'dam, als gevolg van een onderhoud, dat dezen met U over dit onderwerp heeft gehad, heb ik de eer [ingevolge afspraak met Heer Bergveld] [u hierbij(?)] een kort resumé van de stand van zaken [gevoerde bespreking] te doen toekomen.
Uit Zeeland is geen of vrijwel geen aanvoer te verwachten i.v.m. transportmoeilijkheden en het feit, dat in Zeeland ongeveer niet op mosselen wordt gevisscht.
Wel zouden mosselen kunnen worden aangevoerd door Koster en Wagenmaker van Wieringen, wilde mosselen.
Deze firma bezit 3 schepen, waarvan 2 zijn uitgerust met generatoren; 1 schip moet op stookolie varen, dat vrijwel niet beschikbaar is.
[Kantlijnnotitie links:] Koster Het document is een verslag van een ambtenaar (waarschijnlijk van de gemeentelijke distributiedienst of voedselvoorziening) aan een superieur of zakenpartner. De kern van de notitie is de zoektocht naar alternatieve voedselbronnen voor Amsterdam tijdens de oorlog.
De aanvoer uit de traditionele mosselgebieden in Zeeland is gestopt door twee redenen: transportproblemen (waarschijnlijk door vorderingen of brandstofgebrek) en het feit dat er in Zeeland nauwelijks nog gevist wordt. Als oplossing wordt de firma Koster en Wagenmaker uit Wieringen aangedragen. Zij kunnen 'wilde mosselen' leveren. De technische beperking is echter de brandstof: twee schepen zijn noodgedwongen omgebouwd met generatoren, terwijl het derde schip onbruikbaar is door het gebrek aan stookolie. In november 1943 was Nederland ruim drie jaar bezet door nazi-Duitsland. De schaarste nam hand over hand toe. Transport was uiterst moeizaam omdat de bezetter veel vrachtwagens, treinen en schepen had gevorderd. Bovendien waren vloeibare brandstoffen zoals diesel en stookolie vrijwel uitsluitend bestemd voor de Duitse Wehrmacht.
De vermelding van "generatoren" op de schepen verwijst naar de zogenaamde houtgasgeneratoren. Dit waren installaties waarbij door onvolledige verbranding van hout of antraciet gas vrijkwam waarop motoren konden draaien. Dit was een typisch beeld in het straatbeeld en de scheepvaart tijdens de late oorlogsjaren om het gebrek aan olie op te vangen. De poging om 'wilde mosselen' uit de Waddenzee/Wieringen te halen toont de wanhoop aan om de voedselvoorziening in de grote steden nog enigszins draaiende te houden voordat de beruchte Hongerwinter (1944-1945) zou aanbreken.