Ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum. 2 september 1935. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Marktdienst). Den heer Wethouder voor de Levensmiddelen, ALHIER. [Handgeschreven:] Mr. de Glas.
[Handgeschreven:] Petra.
[Getypt:] P/Sch.
20/82/1 M.
Aanvulling Reglement
op de Markten.
2 September 1935
den heer Wethouder
voor de Levensmiddelen
A L H I E R
Krachtens Besluit van Burgemeester en Wethouders
d.d. 15 Maart 1935 (no.905 L.M. 1934) is het repareeren
van schoenen op de markten verboden. Voor de goede orde
lijkt het mij gewenscht, dat dit verbod in het Regle-
ment op de Markten tot uitdrukking wordt gebracht.
Ik heb daarom de eer U beleefd te verzoeken wel
te willen bevorderen, dat door Burgemeester en Wethou-
ders wordt besloten aan art.20 van vorenbedoeld regle-
ment toe te voegen een nieuw lid e) luidende:
" e. schoenreparatie te verrichten of te doen verrichten,
" hetzij door bevestiging van zoogenaamde noprubber
" onder de schoenen, hetzij anderszins."
De Directeur, * Doel van de brief: De brief is een formeel voorstel van de Directeur aan de bevoegde Wethouder om een eerder genomen besluit (van 15 maart 1935) officieel te verankeren in de marktverordening.
* Kernboodschap: Hoewel er al een besluit lag dat schoenreparatie op de markt verbood, ontbrak dit nog in het officiële 'Reglement op de Markten'. De Directeur stelt voor om artikel 20 van dit reglement uit te breiden met een specifiek verbodsbepaling (lid e).
* Technisch detail: Er wordt specifiek melding gemaakt van het bevestigen van "zoogenaamde noprubber" onder schoenen. Dit wijst erop dat ambulante schoenmakers destijds waarschijnlijk op de markt stonden om snelle reparaties uit te voeren met rubberen plakzolen of hakken, wat de gemeente blijkbaar ongewenst vond voor de "goede orde".
* Stijl: Het taalgebruik is typisch voor de vooroorlogse ambtelijke correspondentie: uiterst hoffelijk ("de eer U beleefd te verzoeken") en formeel. Dit document stamt uit 1935, de tijd van de Grote Depressie. In deze periode probeerden veel mensen via kleine handel of ambachtelijke diensten op straat en op markten de kost te verdienen. Gemeentebesturen traden hier vaak regulerend tegen op om de openbare orde te handhaven, de kwaliteit te bewaken of om gevestigde winkeliers (in dit geval de lokale schoenmakers) te beschermen tegen wat zij zagen als oneerlijke concurrentie op de markt. Het expliciet noemen van "noprubber" suggereert dat dit een destijds populaire, goedkope reparatiemethode was die de overheid uit het marktbeeld wilde weren.