Archiefdocument
Origineel
April 1941 MARKTWEZEN
AMSTERDAM.
AMSTERDAM, April 1941.
Aan den houder van een vent- of opkoopersvergunning wordt medegedeeld, dat bedoelde vergunning opnieuw verleend moet worden voor het tijdvak 1 Juni 1941 of later tot en met 31 Mei 1942, indien de betrokkene in het laatstgenoemde tijdvak het beroep van venter of opkooper wenscht voort te zetten of weder op te nemen.
De venter of opkooper, die voor opnieuw verleening van zijn vergunning in aanmerking wil komen, moet zich of iemand namens hem in de maand Mei 1941 met zijn vergunning vervoegen op het Hoofdkantoor van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West en wel op een der navolgende dagen:
op 2 Mei — indien hij in het bezit is van een vergunning dragende de serie-nummers 1, 2, 3, 4 of 5;
op 5, 6, 7, 8 of 9 Mei — indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 6, 7, 8, 9 of 10 of de serie-letters EW, EM, TM of EZ;
op 12, 13, 14, 15 of 16 Mei — indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 of 18;
op 19, 20, 21 of 23 Mei — indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 19, 20, 21, 22 of 23;
op 26, 27, 28, 29 of 30 Mei — indien hij in het bezit is van een vergunning, dragende de serie-nummers 24, 25, 26, 27 of 28.
Des Zaterdags zijn de kantoren voor het betalen van ventgelden gesloten.
Venters, die op andere dagen komen dan waarop zij zijn opgeroepen, kunnen wel geholpen worden, doch loopen kans, langer aan de loketten te moeten wachten dan anderen.
In elk geval moet ieder, die na 1 Juni 1941 ventende wordt aangetroffen in het bezit zijn van een vent- of opkoopersvergunning geldig tot 31 Mei 1942.
Van het opnieuw verleenen der vergunning zal terstond in het oude vergunningsboekje aanteekening gemaakt worden tegen betaling van het ventgeld à f 4.— per jaar, verhoogd met f 1.— legeskosten.
Hiertoe zal dus slechts worden overgegaan, indien de betrokken venter f 5.— betaalt in geld of in reeds van te voren gekochte waardebons. Venters, voor wie het ventgeld door wekelijksche inhoudingen door het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun geheel of ten deele is gespaard, moeten, om het gespaarde bedrag in mindering van het te betalen ventgeld te doen strekken, in het bezit zijn van een door het bovengenoemde bureau te hunnen name gestelden bon.
Indien de venter tevens nog achterstallige standplaatsgelden verschuldigd is, zal de ventvergunning niet opnieuw worden verleend, alvorens ook deze schuld is aangezuiverd. Men zorge er dus voor, dat, wanneer men dergelijke schuld heeft, deze vooraf aan het Hoofdkantoor van het Marktwezen wordt betaald.
Ten einde het voor den venter gemakkelijk te maken om f 5.— te kunnen betalen, is van 1 Mei 1941 af de gelegenheid opengesteld bij het Hoofdkantoor van het Marktwezen en op het marktkantoor Waterlooplein een zoogenaamde „waardebon” te koopen. Deze bons hebben een waarde van f 2,50 en dienen uitsluitend om er ventgeld en legeskosten der vent- of opkoopersvergunning mede te betalen. Koopers van een waardebon behoeven zich in de maand Mei 1941 voor het opnieuw verleenen van hun vergunning niet op den voor hen aangewezen dag op het Hoofdkantoor te vervoegen, doch zij moeten in elk geval zorg dragen, dat zij uiterlijk op 31 Mei a.s. in het bezit zijn van een geldige vergunning, waartoe zij natuurlijk tijdig aan het bedoelde Hoofdkantoor moeten zijn geweest.
Ik breng speciaal onder de aandacht van de houders van een opkoopersvergunning, dat voor het opnieuw verleenen van de opkoopersvergunning wordt geeischt, dat men in het bezit is van een Rijksvergunning voor het ophalen van oude materialen en afvalstoffen, uitgereikt door het Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen. Opkoopers, die om welke reden ook een dergelijke vergunning niet bezitten, zullen de hun door de Gemeente Amsterdam uitgereikte opkoopersvergunning niet kunnen verlengen, doch kunnen die ten stadhuize ingeruild krijgen voor een ventvergunning geldig voor eenig ander artikel, bijvoorbeeld bloemen en planten, consumptieijs, enz.
De Directeur van het Marktwezen. Dit document is een officiële bekendmaking van de Dienst van het Marktwezen in Amsterdam uit april 1941. Het beschrijft de strikte procedures voor het vernieuwen van de jaarlijkse vergunning voor straatverkoop (venten) en het opkopen van goederen.
De kernpunten uit het document zijn:
1. Strakke planning: Er wordt een schema gehanteerd waarbij houders van vergunningen op specifieke dagen in mei 1941 naar het kantoor aan de Jan van Galenstraat moeten komen, gebaseerd op hun serienummer.
2. Kosten: De jaarlijkse kosten bedragen 5 gulden (4 gulden ventgeld plus 1 gulden legeskosten). Dit was in die tijd een aanzienlijk bedrag voor kleine neringdoenden.
3. Sociale vangnetten: Er wordt melding gemaakt van het "Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken Steun", waar minvermogenden via wekelijkse inhoudingen voor hun vergunning konden sparen.
4. Schuldenvrijheid: Vergunningen worden pas verlengd als alle achterstallige standplaatsgelden zijn betaald.
5. Grondstoffenschaarste: De laatste alinea is historisch zeer relevant. Opkopers van "oude materialen en afvalstoffen" (zoals oud ijzer en textiel) moesten over een Rijksvergunning beschikken. Dit wijst op de toenemende controle op hergebruik van grondstoffen door de overheid tijdens de bezettingsjaren. Het document dateert van april 1941, bijna een jaar na de start van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Tweede Wereldoorlog is op verschillende manieren merkbaar:
- Bureaucratisering en controle: De bezetter en het meewerkende gemeentebestuur wilden een strakke controle houden op de informele economie (straatverkoop en recycling).
- Oorlogseconomie: De eis van een vergunning van het "Rijksbureau voor Oude Materialen en Afvalstoffen" hangt direct samen met de schaarste aan grondstoffen. Oud metaal, textiel en rubber waren essentieel voor de oorlogsindustrie en moesten via officiële kanalen worden ingezameld.
- Armoede: Het feit dat er waardebonnen van f 2,50 waren en een spaarsysteem via de sociale steun, getuigt van de precaire financiële situatie van veel Amsterdamse straathandelaren in deze periode.
- Locatie: De Jan van Galenstraat 14 was het hart van de Amsterdamse voedseldistributie (nabij de Centrale Markthallen), wat onderstreepte dat het Marktwezen een cruciale rol speelde in de gereguleerde distributie van goederen tijdens de oorlog.