Handgeschreven brief (verzoekschrift)
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift) 25 mei 1944 [Stempel/Kenmerk linksboven]
$N\underline{o}$ 466/92/1 M.1944 $\frac{46}{r}$
[Datum en aanhef]
Amsterdam 25 Mei 1944
Mijnheer
[Body]
Na ongeveer een jaar gewacht
te hebben op antwoord
doen ik op nieuw een Beroep
op u. Daar ik twee keer
Zelfstandig een zaak heb
gedreven. 1e in de Laurier-
straat no 146 overgenomen
van de Heer J.P.C. Jansen
wonende Westerstr 87 I
2e Heb ik een Zaak samen
gedreven met Wijlen den
Heer G. v. Woudenberg
In Perceel Nic Beetstr 79
Dit alles is Controleerbaar
De reden dat ik niet meer in
het Vis Bedrijf ben is als volgt
Uit de Laurierstr kon ik mijn
Verbeteren naar de Nic Beetstr
en in de Nic Beetstr ben ik
weggegaan om dat mijn Com-
pagnon te overlijden kwam
en mijn kinderen te jong
waren om met mijn de Zaak
verder voort te drijven.
[Marginalia / Ambtelijke aantekeningen]
* (Rechtsboven, potlood): n.i.di. (?)
* (Rechtsboven, omcirkeld): Insp. Com. nochvervuld?
* (Rechts midden, rode inkt): Insp. onderzoek stop 30-5-44 [paraaf]
* (Rechtsonder, rode inkt): 466/92/2
* (Onderaan, potlood/inkt): Z.o.Z. 466 De schrijver van deze brief (wiens naam waarschijnlijk op de achterzijde staat, gezien de aantekening "Z.o.Z.") dient een herhaald verzoek in bij een officiële instantie, nadat een eerder schrijven een jaar lang onbeantwoord is gebleven. De kern van het betoog is het aantonen van vakbekwaamheid en ervaring in de vishandel.
De schrijver voert twee eerdere ondernemingen aan:
1. Laurierstraat 146: Overgenomen van J.P.C. Jansen.
2. Nicolaas Beetsstraat 79: Een gezamenlijke onderneming met de inmiddels overleden G. v. Woudenberg.
De auteur legt uit dat hij de sector destijds moest verlaten vanwege het overlijden van zijn zakenpartner en het feit dat zijn eigen kinderen nog te jong waren om in de zaak bij te springen. De ambtelijke kanttekening in rode inkt is cruciaal: deze meldt dat het onderzoek naar aanleiding van deze brief op 30 mei 1944 is gestaakt ("stop"). Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland, vlak voor de invasie in Normandië (D-Day). In deze periode was de economie volledig ontregeld en stond de handel onder streng toezicht van de bezetter en de daaraan gelieerde Nederlandse instanties (zoals de verschillende 'Bedrijfschappen').
Voor het exploiteren van een vishandel waren vergunningen nodig die in deze schaarsteperiode zeer moeilijk te verkrijgen waren. De brief illustreert de persoonlijke strijd van kleine zelfstandigen die probeerden hun nering te hervatten of te legaliseren in een tijd van bureaucratische willekeur en oorlogsnood. De vermelding dat het onderzoek enkele dagen na ontvangst van de brief werd gestaakt, kan duiden op een afwijzing of een verandering in de prioriteiten van de controlerende instantie in de turbulente zomer van 1944. J.P.C. Jansen