Ambtelijke correspondentie (briefkopie).
Origineel
Ambtelijke correspondentie (briefkopie). 22 augustus 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Linksboven, getypt:]
VP/HG.
17/1/5 M.
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Ter. K. de Kaer. [?]
[Midden boven, handgeschreven:]
extra
[Rechts, getypt:]
22 Augustus 1940.
[Links, getypt onderwerp:]
Toepassing artikel 11c
Reglement op de Markten.
[Adressering, getypt:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Inhoud brief:]
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 10
dezer om advies ontvangen stukken no.152 L.M.1939 heb ik de
eer U te berichten, dat van de kooplieden genoemd in de bij-
lage van mijn rapport d.d. 7 November jl. (No.17/2/8 M.) de
navolgenden inmiddels weder een marktplaats zijn gaan bezetten:
D.Overste, S.E.Kopinsky, L.Keizer, L.Kopee en H.F.v.Dongen.
Omtrent de andere in de bedoelde bijlage genoemde
kooplieden, namelijk G.Lemke, W.L.v.d.Steen, I.Stibbe, B.F.
Reinen en M.Ijzerman rapporteerde ik U opnieuw in mijn rap-
port van 2 Augustus jl. (No.17/1/3 M.); de namen der laatst-
bedoelde rapport. Intrekking hunner marktplaatsen lijkt mij
zeer gewenscht.
[Afsluiting:]
De Directeur, Dit document is een ambtelijk schrijven van de directeur van de marktdienst aan de Amsterdamse wethouder voor Levensmiddelen (destijds de pro-Duitse wethouder R.A. de Vroome). De brief gaat over de handhaving van marktvergunningen op basis van het 'Reglement op de Markten'.
De brief onderscheidt twee groepen kooplieden:
1. D. Overste, S.E. Kopinsky, L. Keizer, L. Kopee en H.F. van Dongen: Zij hebben hun plek op de markt weer ingenomen.
2. G. Lemke, W.L. van der Steen, I. Stibbe, B.F. Reinen en M. Ijzerman: Over deze groep adviseert de directeur expliciet dat het "zeer gewenscht" is om hun marktplaatsvergunning in te trekken.
De zinsconstructie onderaan ("de namen der laatstbedoelde rapport") lijkt een typefout of een onvolledige zin in het origineel, maar de strekking is duidelijk: het beëindigen van de bedrijvigheid van deze specifieke marktkooplieden. De datum van de brief, 22 augustus 1940, plaatst dit document in de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Artikel 11c van het Amsterdamse Marktreglement werd in deze periode een berucht instrument. Hoewel het officieel bedoeld was om marktvergunningen in te trekken van personen die niet persoonlijk op de markt verschenen, werd het door het Amsterdamse bestuur en de bezetter specifiek ingezet om Joodse marktkooplieden van de openbare markten te verdrijven.
Namen in de lijst zoals Kopinsky, Stibbe en Ijzerman duiden op Joodse Amsterdammers. Dit document is een direct bewijs van de bureaucratische voorbereiding en uitvoering van de uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven (de 'arisering' van de markt). Het toont aan hoe de gemeentelijke administratie meewerkte aan het ontnemen van de middelen van bestaan van Joodse ondernemers, nog voordat de grootschalige deportaties begonnen.