Archiefdocument
Origineel
21 mei 1940. C.v.A.
I. de Magtige, bij mij ontboden, deelde mij mede van 1923 tot 1934 in het bezit te zijn geweest van een lompenvergunning en gedurende die jaren vrij geregeld te hebben gevent.
Verder deelde hij mede, ook na 1933, gedurende de periode dat hij niet als stationskruier werkzaam was - van September tot Mei - en niet in steun was opgenomen, geregeld met lompen te hebben gevent, veelal buiten Amsterdam, doch ook wel binnen deze gemeente.
Een verzoek van I. de Magtige om voor een ventvergunning in aanmerking te mogen komen, is reeds in een vergadering van de permanente commissie, gehouden op 16 October 1935 behandeld. Op zijn verzoek is toen afwijzend geadviseerd, op grond van het feit, dat hij omstreeks September 1933 niet van het venten ^te Amsterdam^ beroep heeft gemaakt. Dit nu, wordt door de Magtige ten stelligste ontkend. Na 1935 heeft de Magtige wel gevent, ook in Amsterdam. Tegen hem is enkele malen proces-verbaal opgemaakt.
Mijn indruk is, dat de Magtige jaren lang ~~het zij het dan ook bij tusschenpoozen~~ het beroep van venter heeft uitgeoefend. Of hij in of omstreeks 1933 heeft gevent is m.i. niet meer na te gaan.
[Aantekening in ander handschrift onderaan:]
Waarom niet? Men moet dat wel aannemen;
hij had tot Sept. '34 een geloopverguning. en dus
een formeel recht op een v.v.
Amsterdam, 21-5-'40
[Handtekening, mogelijk: De Maar]
Insp. Het document betreft de toetsing van de beweringen van een zekere I. de Magtige, die een ventvergunning voor lompen aanvraagt. Er is sprake van een historisch geschil: in 1935 werd een eerdere aanvraag afgewezen omdat men destijds dacht dat hij in 1933 niet actief was als venter. De Magtige betwist dit en stelt dat hij in de wintermaanden (september-mei), wanneer hij niet als stationskruier werkte en geen steun (uitkering) trok, altijd heeft gevent.
De rapporteur is enigszins terughoudend ("niet meer na te gaan"), maar een tweede hand (vermoedelijk een leidinggevende of de commissie) corrigeert dit onderaan: aangezien de man tot september 1934 over een 'geloopvergunning' beschikte, moet zijn activiteit in 1933 als een feit worden aangenomen, wat hem een formeel recht geeft op de nieuwe vergunning (v.v.). Het document is gedateerd op 21 mei 1940, slechts enkele dagen na de Nederlandse capitulatie aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Ondanks de bezetting ging de gemeentelijke bureaucratie in Amsterdam in eerste instantie gewoon door. De naam "I. de Magtige" (mogelijk Isaac de Magtige) komt voor in archieven van de Amsterdamse Joodse bevolking; veel Joodse Amsterdammers waren in deze periode werkzaam in de ambulante handel (zoals de lompenhandel). De term 'geloopvergunning' is een verouderde term voor een vergunning om met goederen langs de deuren te gaan.