Afschrift van een verzoekschrift.
Origineel
Afschrift van een verzoekschrift. J. Lankstein, Vrolikstraat 317 II, Amsterdam. No 50/342b A.Z. 1939. Nº 57/2 L.M. 1940 Afschrift.
Nº 20/2/1 M. 1940
Cdt. Brandweer.
afschrift:
Weth. L.M. (2 st.)
om advies.
Amsterdam 31-12-'39.
Zooals het UWelEld. bekend zal wezen, heb ik 16 Dec.
1939 mijn vergunningskaart No 50/342 A.Z. - 4422 Br.
voor het bakken van pinda's ontvangen.
Deze vergunning was geldig voor op de markten: Dapper-
straat en Alb. Cuypstraat. Maar aangezien ik van die
2 markten niet in mijn onderhoud kan voorzien, zoo was
mijn beleefd verzoek of het mogelijk was, dat ik van
UWelEld. wat plaatsen op de markten er bij mocht heb-
ben. Deze zijn dan Uilenburg, ten Katestraat, Waterloo-
plein.
Ik hoop, dat UWelEld. daar geen bezwaren in zult zien.
Hopende spoedig bericht van UWElEld. te mogen ontvangen,
waarvoor mijn dank.
Die zich noemt,
get. J.Lankstein.
Vrolikstraat 317II
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van Amsterdam:
Handgeschreven:
Geen bezwaar:
De Directeur van het Marktwezen,
w.g. Dr. A. V d Laan. Dit document is een officieel afschrift van een brief van een Amsterdamse pindaverkoper, J. Lankstein. De kern van het document is een verzoek om uitbreiding van zijn ventvergunning. Hoewel hij reeds toestemming had voor de Dapperstraat en de Albert Cuypmarkt, stelt hij dat de inkomsten daarvan onvoldoende zijn voor zijn levensonderhoud ("onderhoud"). Hij verzoekt daarom om extra standplaatsen op de Uilenburg, de Ten Katestraat en het Waterlooplein.
Het document illustreert de bureaucratische gang van zaken in Amsterdam vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Het verzoek wordt voor advies voorgelegd aan de Commandant van de Brandweer (waarschijnlijk vanwege het brandgevaar bij het bakken van pinda's op straat) en de Wethouder van Levensmiddelen en Markten (L.M.). Onderaan is de conclusie van de Directeur van het Marktwezen, Dr. A. van der Laan, toegevoegd: "Geen bezwaar". Dit duidt erop dat het verzoek waarschijnlijk is ingewilligd. De datum, 31 december 1939, plaatst dit document in de maanden van de 'Schiermanoeuvres' of de 'Vreemde Oorlog', vlak voordat Nederland in mei 1940 bezet zou worden. De genoemde locaties zijn iconische Amsterdamse markten. Met name de markten op Uilenburg en het Waterlooplein bevonden zich in het hart van de toenmalige Joodse buurt.
De pindaverkoop was in die tijd een veelvoorkomende vorm van kleinschalige straathandel, vaak uitgeoefend door mensen die weinig andere middelen van bestaan hadden. Het feit dat de aanvrager in de Vrolikstraat woonde (Oost) en op markten in zowel Oost, Zuid, West als het Centrum wilde staan, getuigt van een grote mobiliteit van deze straathandelaren in hun poging om het hoofd boven water te houden tijdens de economisch uitdagende vooroorlogse jaren.