Doorslag van een officiële brief (typegeschreven op doorslagpapier).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (typegeschreven op doorslagpapier). 18 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [handgeschreven: extra]
VD/HG.
Mw.M.Rooselaar-Veffer,
Majubastraat 63 II,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
3C/71/2 M. 18 December 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 5 December jl. bericht
ik U, dat de plaatsen van Uw echtgenoot op de markten Waterlooplein
en Lindengracht, gedurende den tijd, dat hij is ingesloten, voor
hem beschikbaar worden gehouden. Gedurende den tijd zijner inslui-
ting behoeft geen marktgeld te worden betaald.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke mededeling van een gemeentelijke instantie aan een bewoonster van Amsterdam-Oost. De kern van de boodschap is een toezegging: de marktplaatsen van haar echtgenoot op de Waterloopleinmarkt en de markt aan de Lindengracht blijven voor hem gereserveerd zolang hij "ingesloten" (gedetineerd) is. Bovendien wordt de mevrouw vrijgesteld van het betalen van staangeld (marktgeld) gedurende deze periode.
Het document getuigt van een bureaucratische afhandeling van een persoonlijke crisissituatie. De toon is formeel en procedureel ("Naar aanleiding van Uw brief", "bericht ik U"). Het gebruik van de term "ingesloten" is neutraal maar onthult dat de echtgenoot van de geadresseerde op dat moment van zijn vrijheid is beroofd. De datum van de brief, 18 december 1940, plaatst het document in de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland. De namen 'Rooselaar' en 'Veffer' zijn veelvoorkomende namen binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. De Majubastraat ligt in de Transvaalbuurt, een wijk die in die tijd een zeer grote Joodse populatie kende.
De Waterloopleinmarkt was van oudsher de centrale Joodse markt van Amsterdam. Dat de echtgenoot "ingesloten" is, kan wijzen op een strafrechtelijke detentie, maar gezien de tijdsgeest en de achtergrond van de betrokkenen is het zeer waarschijnlijk dat het gaat om een arrestatie door de bezettingsautoriteiten of de politie in het kader van de beginnende anti-Joodse maatregelen of politieke repressie.
Dit document is wrang in historisch perspectief: terwijl de ambtenarij hier nog "coulant" lijkt door plaatsen vast te houden en kosten kwijt te schelden, zou niet veel later (vanaf begin 1941) de systematische uitsluiting van Joden uit het economische leven en de marktsector volledig worden doorgevoerd, gevolgd door de massale deportaties. De brief vormt hiermee een papieren spoor van een gezin dat aan de vooravond stond van de Shoah.