Handgeschreven brief.
Origineel
Handgeschreven brief. 28 januari 1940. B. v. West, Afrikanerplein 11, Amsterdam. De Inspecteur van het Marktwezen, Jan van Galenstraat, Amsterdam. No 31 / 4 / 8 M. 1940 29/1
Aan den Inspecteur v. h. Marktwezen
Jan v. Galenstraat.
A’dam 28 Jan. 1940
Geachte Heer. [Aantekening in ander handschrift: ni Insp]
Daar ik van morgen van de Marktmeester
vernomen heb dat mijn plaats op de Zondag-
markt is ingetrokken, daar ik 6 weken
schuld heb, ben ik zo vrij U met enige
feiten in kennis te stellen. Reeds gedurende
vier achtereen volgende weken, was het mij
onmogelijk van mijn plaats gebruik te maken
daar dit gedeelte geheel ononbegaanbaar was,
terwijl met enige medewerking der Gem. Rei-
niging dit voorkomen had kunnen worden,
de dienstdoende marktmeesters kunnen dat
beamen. Nu had ik gedacht dat U mij
voor deze weken ook geen marktgeld liet
betalen, te meer daar er voor mij geen andere
plaats geschikt is. Mocht U het met dit
motief niet eens zijn, dan hoop ik dat U mij
vergunt mijn schuld te betalen, en de intrek-
king der plaats ongedaan te maken.
Bij voorbaat dankend
Achtend B. v. West
Afrikanerplein 11
A'dam [Rechtsonder in potlood: 31] In deze brief protesteert de heer B. v. West tegen de beslissing van de marktmeester om zijn staanplaats op de Amsterdamse zondagmarkt in te trekken. De reden voor de intrekking is een betalingsachterstand van zes weken aan marktgeld.
De afzender voert een verzachtende omstandigheid aan: gedurende vier van die zes weken was zijn vaste plek "geheel onbegaanbaar". Hij stelt de Gemeentereiniging hiervoor verantwoordelijk; volgens hem had de situatie voorkomen kunnen worden als zij hun werk hadden gedaan. Hij voert de dienstdoende marktmeesters aan als getuigen van de slechte staat van het terrein.
Zijn primaire verzoek is kwijtschelding van het marktgeld voor de bewuste vier weken. Indien de Inspecteur hier niet mee akkoord gaat, verzoekt hij om alsnog de schuld te mogen afbetalen zodat hij zijn marktplaats kan behouden. De toon van de brief is beleefd doch dwingend, typerend voor correspondentie met de overheid in die periode. De brief dateert van januari 1940, slechts enkele maanden voor de Duitse inval in Nederland. Amsterdam bevond zich in een economisch lastige periode. De Jan van Galenstraat, waar de brief naartoe is gestuurd, was de locatie van de in 1934 geopende Centrale Markthallen.
De afzender, B. v. West, woonde aan het Afrikanerplein 11 in de Transvaalbuurt. Dit was destijds een buurt met een zeer grote Joodse populatie, van wie velen werkzaam waren in de (markt)handel. De zondagmarkt was voor veel kleine handelaren cruciaal voor hun inkomen.
Het document illustreert de strikte bureaucratie van het Amsterdamse Marktwezen: wie niet betaalde, raakte direct zijn plek kwijt, ongeacht de fysieke gesteldheid van de toegewezen locatie. De aantekening "ni Insp" (waarschijnlijk 'niet Inspecteur') bij de aanhef suggereert dat de brief intern is doorgeleid naar een andere ambtenaar voor behandeling.