Brief (doorslag/kopie van een officieel schrijven).
Origineel
Brief (doorslag/kopie van een officieel schrijven). 9 februari 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). Den Heer N. Cohen, Waterlooplein 96, Amsterdam-Centrum. [Handgeschreven rechtsboven:] Lex. h. de Raer.
[Getypt linksboven:] dH/HG.
[Getypt en handgeschreven links:] 31/10-2 M. [Handgeschreven:] Verzonden 9/2-'40.
[Getypt rechtsboven:] 9 Februari 1940.
[Getypt adresblok:]
den Heer N. Cohen,
Waterlooplein 96,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
[Getypt tekstblok:]
Naar aanleiding van Uw desbetreffend verzoek deel
ik U mede, dat ik, rekening houdende met de weersgesteldheid
gedurende de afgeloopen weken, geen bezwaar heb om de in-
trekking van Uw plaats op de markt Uilenburg ongedaan te ma-
ken, mits U zorgdraagt, het verschuldigde marktgeld per
omgaande te betalen.
[Getypt afsluiting:]
De Directeur, De brief is een administratieve beslissing van een Amsterdamse directeur (waarschijnlijk van de gemeentelijke marktorganisatie) gericht aan een marktkopman, de heer N. Cohen.
Uit de tekst blijkt dat de heer Cohen eerder zijn vaste staanplaats op de markt in de wijk Uilenburg was kwijtgeraakt (de "intrekking van Uw plaats"). Cohen heeft hiertegen blijkbaar een verzoek tot herstel ingediend. De directeur gaat hiermee akkoord en voert de slechte weersomstandigheden van de afgelopen weken aan als verzachtende omstandigheid voor het feit dat Cohen waarschijnlijk niet aanwezig was of niet had voldaan aan zijn verplichtingen. De voorwaarde voor het terugkrijgen van de plek is dat de achterstallige marktgelden direct ("per omgaande") worden betaald.
De toon is zakelijk en formeel, typerend voor de gemeentelijke bureaucratie van die tijd. De handgeschreven aantekeningen wijzen op een zorgvuldige archivering en verwerking van de correspondentie. Dit document stamt uit februari 1940, slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het biedt een inkijkje in het dagelijks leven en de kleine middenstand in Amsterdam vlak voor de bezetting.
De locaties die in de brief worden genoemd — het Waterlooplein en de markt op Uilenburg — bevonden zich in het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam. De achternaam van de ontvanger, Cohen, bevestigt dat het hier zeer waarschijnlijk gaat om een Joodse marktkopman.
Hoewel de brief op zichzelf een routineuze administratieve handeling betreft, krijgt het document een wrange bijklank door de historische context. Na de inval in mei 1940 zouden Joodse marktkooplieden systematisch worden uitgesloten van het openbare leven en de handel. In 1941 werden Joodse kooplieden door de bezetter verbannen van de reguliere markten en mochten zij alleen nog op speciaal aangewezen "Jodenmarkten" staan, waarna de vervolging in de jaren daarna escaleerde tot de totale deportatie. Deze brief vertegenwoordigt dus een van de laatste momenten van "normale" interactie tussen de Amsterdamse overheid en haar Joodse burgers vóór de Shoah.