Brief / Ambtelijke correspondentie
Origineel
Brief / Ambtelijke correspondentie 15 maart 1940 F. Huitsing (vermoedelijk een marktmeester of toezichthouder) Den Heer Inspecteur
van het Marktwezen. alhier.
In antwoord op br: 31/19/1 M 1940, kan ik u mededeelen,
dat zooals mij bekend is reeds ongeveer vier jaar lang des Zondags
een marktkraam wordt geplaatst voor den winkel van den heer
Prins. Het doorzicht naar zijn winkel wordt hierdoor
niet belemmerd, daar er door mij voor wordt gezorgd dat er
nimmer een achterzijl gespannen wordt, wat voor een
winkel hinderlijk zou zijn. Indien een winkelier geen
stal voor zijn winkel wenschte, dan zouden er verschillende
plaatsen van kooplui moeten worden ingetrokken. Er
zijn door winkeliers hierover nog geen klachten ingekomen,
uitgezonderd H. Prins. Dat de Inspecteur hem toegezegd
heeft, om er geen stal meer te laten plaatsen is m.i. uit
de lucht gegrepen. Zie brief 31/17/2 M 1939 waarin een
verzoek van den heer Prins niet is toegestaan.
Amsterdam 15 Maart 1940.
[w.g.] F. Huitsing * Taal en spelling: Het document is geschreven in de destijds gebruikelijke formele ambtelijke stijl met de spelling-Marchant (bijv. zooals, mededeelen, Maart). Opvallend is de spelling achterzijl in plaats van achterzeil.
* Inhoudelijke kern: De schrijver reageert op een klacht van een winkelier, de heer H. Prins. De kern van het verweer is dat de marktmeester (de schrijver) specifiek toeziet op het vrijhouden van het zicht door geen achterzeil bij de kraam toe te staan. Daarnaast waarschuwt de schrijver voor een precedentwerking: als men toegeeft aan één winkelier, brengt dit de continuïteit van de marktplaatsen in gevaar.
* Bureaucratische context: De schrijver weerlegt de bewering van Prins dat er een toezegging zou zijn gedaan door de Inspecteur. Hij doet dit door te verwijzen naar een dossierstuk uit het voorgaande jaar (brief 31/17/2 M 1939), waaruit blijkt dat een soortgelijk verzoek al eerder was afgewezen. De brief dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het geeft een tijdsbeeld van het Amsterdamse straatleven en de spanning tussen de gevestigde winkeliers en de ambulante handel (marktkramen) op zondagen. In deze periode waren markten cruciaal voor de distributie van goederen in de stad, maar zorgden ze ook voor logistieke en economische wrijving met eigenaren van winkelpanden. De brief toont de nauwgezetheid van de gemeentelijke administratie in die tijd, waarbij men sterk leunde op schriftelijke bewijslast en eerdere besluitvorming.