Doorslag van een getypte brief (pagina 2).
Origineel
Doorslag van een getypte brief (pagina 2). 23 januari 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Vischmarkt). De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. Bladz.2 Brief No.46A/6/1 M. d.d. 23 Januari 1941 aan den
Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam.
Terwijl vroeger op de aan koopers uit te reiken nota,
de verschuldigde omzetbelasting afzonderlijk in rekening moest
worden gebracht, is het thans krachtens artikel 25 van het nieuwe
Besluit den ondernemers verboden, aan degenen, aan wie de leve-
ringen geschieden de omzetbelasting geheel of gedeeltelijk afzon-
derlijk in rekening te brengen. In het algemeen zal dus een onder-
nemer zijn verkoopsprijzen zoodanig moeten stellen, dat de door
hem verschuldigde omzetbelasting daardoor op zijn afnemers wordt
verhaald.
Dit laatste brengt voor de Vischmarkt administratieve
moeilijkheden met zich mede, omdat de in den afslag gemijnde
prijs, die ten slotte aan de aanvoerders, na aftrek der afslag-
gelden, krachtens artikel 5 juncto artikel 23 van de Verordening
op de Heffing moet worden uitbetaald, in de administratie tot
uitdrukking moet komen.
Ik heb deze moeilijkheden besproken met den Inspecteur
der Omzetbelasting, die geen bezwaar had, dat de onderhavige be-
lasting voorloopig afzonderlijk aan de koopers werd in rekening
gebracht, mits de benaming "omzetbelasting" hierbij werd vermeden.
Tegen het in rekening brengen van deze belasting in anderen vorm,
bijvoorbeeld door de koopers onder den naam van "toeslag" of
dergelijke met een zekere prijsverhooging te belasten had genoem-
de Inspecteur geenerlei bezwaar.
Echter dient de omzetbelasting niet alleen over het
gemijnde bedrag, zooals tot nu toe gebruikelijk was, te worden
berekend, doch evenzeer over den "toeslag". Uit den aard van de
zaak moet deze toeslag hooger worden gesteld, dan 2½% van het
gemijnde bedrag. Het is gebleken, dat door het berekenen van een
toeslag van 2.563% wordt bereikt, dat de afslag, na aftrek der
omzetbelasting, het netto gemijnde bedrag overhoudt.
Een en ander is besproken met den accountant der afdee-
ling Financiën, belast met de contrôle over mijn dienst, die van
oordeel was, dat deze prijsverhooging onder de benaming "admini-
stratiekosten" afzonderlijk aan de koopers in rekening zou kun-
nen worden gebracht.
Ik geef U beleefd in overweging mij, zoo mogelijk spoe-
dig, te machtigen, de hierboven omschreven gedragslijn met in-
gang van 1 Februari a.s. voor de Vischmarkt in te voeren.
Het nieuwe Besluit op de omzetbelasting schrijft verder
voor, dat ook over diensten, welke tegen vergoeding worden ver-
richt, omzetbelasting moet worden betaald. Zou hieronder ook
worden verstaan, de belasting, die krachtens artikel 5 sub c der
Verordening op de Heffing wordt geheven van personen, wien toe-
gang tot de Vischmarkt is verleend en krachtens artikel 5 sub b
van personen, die van den afslag gebruik maken, dan zou dit voor
de Vischmarkt beteekenen, dat ook over het totaal van deze belas-
tingen (heffingen) tot een bedrag van rond ƒ 10.000,- 2½% omzet-
belasting verschuldigd zou zijn. Hieromtrent is echter nog geen
beslissing van voornoemden Inspecteur der Omzetbelasting verkre-
gen; zoodra dit wel het geval zal zijn, zal ik U hieromtrent nog
nader berichten.
De Directeur, Deze brief illustreert een specifiek administratief probleem bij de Amsterdamse Vischmarkt in januari 1941. Door een nieuw overheidsbesluit (het Besluit op de Omzetbelasting 1940) mochten ondernemers de omzetbelasting niet langer expliciet op de factuur vermelden; deze moest in de verkoopprijs worden verwerkt.
Voor de Vischmarkt was dit problematisch omdat zij werken met een afslagsysteem waarbij de prijs die de koper betaalt ("het gemijnde bedrag") direct gekoppeld is aan de uitbetaling aan de aanvoerders (vissers). Om de administratie kloppend te houden zonder de wet te overtreden, stelt de directeur voor om de belasting te camoufleren onder de noemer "administratiekosten" of een "toeslag".
Interessant is de wiskundige exercitie: om na aftrek van 2,5% belasting precies op het oorspronkelijke nettobedrag uit te komen, moet er een toeslag van 2,563% worden berekend (het zogenaamde 'terugrekenen' of 'insluitend' maken van belasting). De brief is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De bezetter voerde ingrijpende wijzigingen door in het Nederlandse belastingstelsel, waaronder de invoering van de omzetbelasting naar Duits model.
De "Wethouder voor de Levensmiddelen" in Amsterdam in deze periode was de pro-Duitse Edward J. Voûte (die later in 1941 regeringscommissaris/burgemeester zou worden). De brief toont aan hoe lokale overheidsinstellingen worstelden met de praktische uitvoering van de nieuwe, door de bezetter opgelegde regelgeving, en zochten naar pragmatische (en soms semantische) oplossingen om hun bestaande bedrijfsvoering voort te kunnen zetten.