Doorslag van een ambtelijke sommatie/betalingsherinnering.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke sommatie/betalingsherinnering. 13 augustus 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:]
In Muller
Verzonden 13/8
[Getypt:]
85/1/28 M 13 Augustus 1941.
Hiermede breng ik onder Uw aandacht, dat U op 9 Augustus jl. terzake van het plaatsen van kramen e.d. op de markten een bedrag van f [open ruimte] aan mijn dienst verschuldigd is.
Ik geef U thans alsnog de gelegenheid dit bedrag binnen vier dagen na dato dezes te betalen bij den kassier van mijn dienst, bij gebreke waarvan ik het Gemeentebestuur zal voorstellen de U verleende vergunning in te trekken.
De Directeur,
Gezonden aan:
F. Wayeret 1e V.d.Helststraat 19 f 7,74
A.W.v.Merkestein Transvaalstraat 89-91 f 0,47
M. Soep Rapenburgerstraat 47 I f 0,26
K. Schouten Oostenburgervoorstraat 34 I
f 0,14
B. Siebbeles & Zn. Madurastraat 42 huis f 0,45
M. Vos Bonairestraat 103 II f 4,95
G.C. Wilhelmus Dykstraat 24 f 0,21 Het document is een collectieve sommatie gericht aan verschillende markthandelaren in Amsterdam. De toon is formeel en dreigend: indien de openstaande bedragen voor het plaatsen van kramen (marktgeld) niet binnen vier dagen worden voldaan, zal de directeur bij het gemeentebestuur adviseren om de marktvergunning van de betrokkene in te trekken.
Opvallend zijn de zeer kleine bedragen waarvoor deze officiële procedures werden opgestart, variërend van 0,14 tot 7,74 gulden. Dit getuigt van een strikte administratieve controle op de markthandel tijdens de bezettingsjaren. De adressen (o.a. de Transvaalstraat, Rapenburgerstraat en de 1e Van der Helststraat) duiden op marktkooplieden die op verschillende Amsterdamse markten (zoals de Albert Cuypmarkt of de markten in de Joodse buurt) actief waren. De datum, augustus 1941, plaatst dit document in de context van het tweede jaar van de Duitse bezetting van Nederland. De adressen in dit document zijn historisch significant. De Rapenburgerstraat en de Transvaalstraat lagen in buurten met een grote Joodse populatie. In 1941 werden Joodse burgers door de bezetter steeds verder geïsoleerd; vanaf juli 1941 mochten Joodse kooplieden alleen nog op specifieke 'Joodse markten' staan.
Namen zoals 'Soep' en de genoemde locaties suggereren dat een deel van de geadresseerden Joodse Amsterdammers waren die onder zware druk probeerden hun brood te verdienen op de markt. Het intrekken van een vergunning was in die tijd niet slechts een zakelijke sanctie, maar kon het volledige verlies van middelen van bestaan betekenen in een periode waarin de vervolging steeds heviger werd. Het document illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie ook onder bezetting nauwgezet bleef functioneren. B. Siebbeles F. Wayeret G.C. Wilhelmus K. Schouten M. Soep M. Vos