Administratieve notitie/correspondentie op een officieel bijblad (Alg. Zaken Model No. 14).
Origineel
Administratieve notitie/correspondentie op een officieel bijblad (Alg. Zaken Model No. 14). 10 maart 1942 tot en met 2 april 1942 (betreffende een periode in 1941). [Stempel linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 30/12/1 1941/42
DOORGEZONDEN: 5/3
[Bovenste tekstblok]
L. Presser moet f 1.20 marktgeld
betalen over de periode 8 Sept –
4 Oct ’41 voor zijn op 6 October ’41
ingetrokken plaats Th. Waterlooplein
m.i. oproepen.
Mul 10/3 ’42
[Rechterkant, schuin geschreven]
Oproepen 11-3-’42
de Haer
p 13/3 ’42 9 ½ uur
p 25/3 ’42 9 ½ - 12 uur
[Linkerkant, handgeschreven notitie]
Th. de Vries
En zijn brief dan
van 25/3 ??
wat bedoelt hij
met het daarin
gestelde? [Initialen]
[Midden, antwoord]
Inspecteur,
Presser heeft aan
oproepingen geen
gevolg gegeven.
m.i. thans invorderen.
de Haer 1/4 ’42 [Initialen] 2/4 ‘42
[Onderste tekstblok]
Zie bijgevoegde correspondentie van
October 1941. Wat de Inspecteur indertijd
met P. heeft besproken is thans niet precies
na te gaan. Met zekerheid kan echter worden
aangenomen, dat P. geen vrijstelling van z.o.z.
[Voorgedrukte tekst linksonder]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document is een intern ambtelijk schrijven betreffende een betalingsachterstand van een markthandelaar genaamd L. Presser. De kern van de zaak is een openstaand bedrag van 1,20 gulden aan marktgeld voor een standplaats op het Waterlooplein over de periode september-oktober 1941.
Uit de verschillende handschriften en data blijkt een proces van invordering:
1. 10 maart: Er wordt geconstateerd dat er nog betaald moet worden en er wordt geadviseerd Presser op te roepen.
2. 11-25 maart: Presser wordt meermaals opgeroepen om te verschijnen (om 9:30 uur), maar hij geeft hier geen gehoor aan.
3. Eind maart: Er ontstaat verwarring over een brief van Presser d.d. 25 maart.
4. 1 april: Ambtenaar 'de Haer' concludeert dat Presser de oproepen heeft genegeerd en adviseert om tot invordering over te gaan.
5. Onderste noot: Er wordt verwezen naar eerdere correspondentie uit 1941. Men stelt vast dat niet meer precies te achterhalen is wat de inspecteur destijds met Presser heeft besproken, maar dat er vrijwel zeker geen sprake is van een vrijstelling. Het document dateert uit het voorjaar van 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locatie "Waterlooplein" is historisch van groot belang: dit was het hart van de Joodse buurt in Amsterdam en de plek waar de centrale Joodse markt was gevestigd.
Vanaf 1941 voerden de bezetters steeds strengere beperkingen in voor Joodse markthandelaren. Zij werden verbannen van reguliere markten en mochten alleen nog handelen op specifiek aangewezen markten, waaronder het Waterlooplein. De naam "Presser" is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam (denk aan de historicus Jacques Presser). Het feit dat zijn standplaats op 6 oktober 1941 werd "ingetrokken" en dat hij begin 1942 niet meer reageert op administratieve oproepen voor een klein bedrag, kan wijzen op de ingrijpende gevolgen van de anti-Joodse maatregelen of de beginnende ontwrichting van het dagelijks leven voor Joodse burgers in deze periode. L. Presser (markthandelaar) Th. de Vries de Haer Mul. Marktwezen
Samenvatting
Dit document is een intern ambtelijk schrijven betreffende een betalingsachterstand van een markthandelaar genaamd L. Presser. De kern van de zaak is een openstaand bedrag van 1,20 gulden aan marktgeld voor een standplaats op het Waterlooplein over de periode september-oktober 1941.
Uit de verschillende handschriften en data blijkt een proces van invordering:
1. 10 maart: Er wordt geconstateerd dat er nog betaald moet worden en er wordt geadviseerd Presser op te roepen.
2. 11-25 maart: Presser wordt meermaals opgeroepen om te verschijnen (om 9:30 uur), maar hij geeft hier geen gehoor aan.
3. Eind maart: Er ontstaat verwarring over een brief van Presser d.d. 25 maart.
4. 1 april: Ambtenaar 'de Haer' concludeert dat Presser de oproepen heeft genegeerd en adviseert om tot invordering over te gaan.
5. Onderste noot: Er wordt verwezen naar eerdere correspondentie uit 1941. Men stelt vast dat niet meer precies te achterhalen is wat de inspecteur destijds met Presser heeft besproken, maar dat er vrijwel zeker geen sprake is van een vrijstelling.
Bron-evidence
11
L. Presser moet f 1.20 marktgeld betalen over de periode 8 Sept – 4 Oct ’41
voor zijn op 6 October ’41 ingetrokken plaats Th. Waterlooplein
Met zekerheid kan echter worden aangenomen, dat P. geen vrijstelling van z.o.z.
Presser heeft aan oproepingen geen gevolg gegeven
m.i. thans invorderen
voor zijn op 6 October ’41 ingetrokken plaats Th. Waterlooplein
L. Presser moet f 1.20 marktgeld betalen over de periode 8 Sept – 4 Oct ’41
Met zekerheid kan echter worden aangenomen, dat P. geen vrijstelling van z.o.z.
voor zijn op 6 October ’41 ingetrokken plaats Th. Waterlooplein
Met zekerheid kan echter worden aangenomen, dat P. geen vrijstelling van z.o.z.
L. Presser moet f 1.20 marktgeld betalen over de periode 8 Sept – 4 Oct ’41
Historische Context
Het document dateert uit het voorjaar van 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locatie "Waterlooplein" is historisch van groot belang: dit was het hart van de Joodse buurt in Amsterdam en de plek waar de centrale Joodse markt was gevestigd.
Vanaf 1941 voerden de bezetters steeds strengere beperkingen in voor Joodse markthandelaren. Zij werden verbannen van reguliere markten en mochten alleen nog handelen op specifiek aangewezen markten, waaronder het Waterlooplein. De naam "Presser" is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam (denk aan de historicus Jacques Presser). Het feit dat zijn standplaats op 6 oktober 1941 werd "ingetrokken" en dat hij begin 1942 niet meer reageert op administratieve oproepen voor een klein bedrag, kan wijzen op de ingrijpende gevolgen van de anti-Joodse maatregelen of de beginnende ontwrichting van het dagelijks leven voor Joodse burgers in deze periode.