Handgeschreven brief (rekest/verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (rekest/verzoekschrift). 2 april 1942. Een anonieme Joodse bloemenkoopman (naam niet vermeld op deze zijde). A.dam, 2/4 1942
Ondergetekende geeft met de
meest verschuldigde eerbied te kennen
dat hij een vaste standplaats
met bloemen heeft aan de Vijzel
straat hoek Heeren gracht, voor
twee jaar geleden had ik een
toegangskaart tot betreding der
centrale Markthallen, aangezien
ik niet altijd van mijn plaats
weg kan liet ik mijn bloemen
door een ander koopen op Com,
missie zoo doende heb ik nadien
geen nieuwe toegangskaart aan,
gevraagd. maar nu met de nieuwe
wetten mag dat niet meer omdat ik
Jood ben, nu vervoegde ik mij
aan het loket waar men zijn week
briefje moet halen, met twee portret
ten om een nieuwe kaart, deze
werd mij geweigerd op grond
dat ik in het afgeloopen seizoen
geen kaart heb gehaald, nu
werd mij gezegd dat ik u
[Stempel/Aantekening onderaan:]
Nº 53/46/1 M. 1942 7/4 De brief is een indringend voorbeeld van de bureaucratische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting. De schrijver legt uit dat hij een vaste bloemenkraam exploiteert op de hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht in Amsterdam.
Voorheen liet hij zijn inkopen bij de Centrale Markthallen via een tussenpersoon (op commissie) doen, waardoor hij zelf geen toegangskaart nodig had. Echter, door de "nieuwe wetten" (de anti-Joodse verordeningen van de bezetter) is deze constructie verboden geworden. Wanneer hij vervolgens zelf een kaart aanvraagt, wordt hij geconfronteerd met een 'Catch-22': de aanvraag wordt afgewezen omdat hij het voorgaande jaar geen kaart had. De tekst stopt abrupt onderaan de pagina bij de zin "dat ik u", waarna waarschijnlijk een verzoek om bemiddeling of een uitzondering volgde. In april 1942 was de rechtspositie van Joodse Amsterdammers reeds drastisch ingeperkt. De "nieuwe wetten" waar de schrijver naar verwijst, maken deel uit van een reeks verordeningen die bedoeld waren om Joden uit het economische leven te bannen.
Sinds begin 1941 waren Joodse marktkooplieden al aan strikte regels gebonden en vanaf 1942 werd het hen nagenoeg onmogelijk gemaakt om hun nering voort te zetten. De Centrale Markthallen waren essentieel voor de bevoorrading van bloemen- en groenteverkopers; door de toegang te ontzeggen werd de schrijver feitelijk broodroof gepleegd. De formele, uiterst beleefde toon van de brief ("meest verschuldigde eerbied") was gebruikelijk voor die tijd, maar is wrang gezien de systematische vervolging die op dat moment in volle gang was. De stempel onderaan met de datum 7/4 suggereert dat het document vijf dagen later door een instantie is geregistreerd.