Archiefdocument
Origineel
30 mei 1942 De waarnemend (wnd.) Directeur (waarschijnlijk van de Marktwezen of een gerelateerde Amsterdamse dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [Rechtsboven handgeschreven:] M. Draller [?]
HG.
53/57/3 M.
30 Mei 1942.
Restitutie entréegeld.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat bij mijn dienst bericht is ingekomen, dat de kooper R.Coppen- hagen, wonende De Clercqstraat 42 alhier, met ingang van 11 Maart jl. zijn zaak heeft moeten sluiten. Coppenhagen voornoemd had het entréegeld ad ƒ 10,- voor het kalenderjaar 1942 voldaan en verzoekt hem thans restitutie te verleenen van het te veel betaalde, welk verzoek mij billijk voorkomt.
Indien Coppenhagen het entréegeld per maand en per week had voldaan, zou hij schuldig zijn geweest 2 x ƒ 1,- + 2 x ƒ 0,25 = ƒ 2,50, zoodat hem restitutie ware te verleenen tot een bedrag ad ƒ 7,50 (ƒ 10,- - ƒ 2,50).
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen be- vorderen, dat aan Coppenhagen voornoemd, op gronden van bil- lijkheid, ingevolge het bepaalde in artikel 36 van de Ver- ordening op de Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, door den Burgemeester teruggave van betaald entréegeld wordt toegestaan tot een bedrag van ƒ 7,50.
De Directeur,
wnd.
[Onderaan handgeschreven paraaf:] gezien 12/6 '42 [?] Het document is een ambtelijke brief waarin wordt geadviseerd om een deel van het betaalde marktgeld (entréegeld) terug te betalen aan een koopman genaamd R. Coppenhagen, gevestigd aan de De Clercqstraat 42 in Amsterdam.
De kern van de zaak is administratief: Coppenhagen had voor het gehele jaar 1942 vooruitbetaald (10 gulden). Omdat hij zijn zaak op 11 maart 1942 moest sluiten, heeft hij slechts ongeveer tweeënhalve maand gebruikgemaakt van zijn vergunning. De directeur berekent dat hij over die periode slechts 2,50 gulden verschuldigd zou zijn geweest en stelt daarom voor om 7,50 gulden te restitueren op grond van "billijkheid" en conform de geldende verordeningen.
De toon is uiterst formeel en bureaucratisch, waarbij de nadruk ligt op de correcte berekening en de wettelijke grondslag voor de terugbetaling. Hoewel de brief op het eerste gezicht een triviale administratieve kwestie lijkt, is de historische context van mei 1942 in bezet Nederland cruciaal.
- Vervolging: De naam "Coppenhagen" is een veelvoorkomende Joods-Nederlandse achternaam. De datum van sluiting (11 maart 1942) valt in de periode waarin de Duitse bezetter de economische uitsluiting van Joden intensiveerde. Joodse winkeliers en marktkramers werden gedwongen hun zaken te sluiten of over te dragen aan "ariërs" (arisering). Het feit dat hij zijn zaak "heeft moeten sluiten" duidt vrijwel zeker op deze gedwongen liquidatie van Joodse bedrijven.
- Bureaucratie van de bezetting: Dit document illustreert de "banaliteit" van de bureaucratie tijdens de Holocaust. Terwijl Joodse burgers hun middelen van bestaan verloren en hun deportatie werd voorbereid, hield het Amsterdamse ambtenarenapparaat zich nauwgezet bezig met de verrekening van marktgelden tot op de cent nauwkeurig.
- Wethouder voor de Levensmiddelen: In 1942 was dit een cruciale post in Amsterdam vanwege de toenemende schaarste en distributie van voedsel onder het nazibewind.
Dit document is dus een aangrijpend voorbeeld van hoe de systematische onteigening en uitsluiting van de Joodse bevolking verwerkt werd binnen de normale raderen van de gemeentelijke administratie.