Brief (klachtbrief)
Origineel
Brief (klachtbrief) 24 januari 1942 [Linksboven, blauwe stempel/inkt:]
No 72 / 1 / 1
[Middenboven, stempel en inkt:]
M. 1942 29 / 1
[Rechtsboven:]
Amsterdam 24 – 1 – 42.
[Midden:]
Weledele Heer.
[In de rechtermarge, handgeschreven toevoeging in potlood/lichte inkt:]
met Insp.
(zijn vermoedelijk
de venters van
Duyvis)
[Hoofdtekst:]
Is het Uw bekend dat venters met een tijdelijke Ventvergunning
Zomer en winter venten en dan nog wel in een buurt waar
zij niet thuis horen, en zoo dat wij met een jaarlijksche
Ventvergunning van f. 5.- er veel last en schade van
ondervinden.
Hopende dat Uw mijn klacht in nota neemt.
Bij Voorbaat hartelijke dank,
Liefst onbekende Venter. De brief is een uiting van onvrede over oneerlijke concurrentie in de straathandel tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijver beklaagt zich over venters die op basis van een tijdelijke vergunning het hele jaar door actief zijn, ook in wijken waar zij officieel niet mogen staan.
De kern van de klacht is economisch van aard: de schrijver betaalt 5 gulden voor een jaarvergunning en ziet zijn inkomsten ("schade") aangetast door deze tijdelijke krachten. De toon is formeel-beleefd ("Weledele Heer"), maar de afzender kiest voor anonimiteit ("Liefst onbekende Venter"), wat mogelijk wijst op angst voor represailles of sociale spanningen binnen het gilde van straatverkopers.
De aantekening in de marge suggereert dat de ontvangende instantie de klacht serieus nam; er wordt verwezen naar een inspecteur ("Insp.") en er wordt een specifiek vermoeden geuit over de identiteit van de overtreders ("de venters van Duyvis"). In januari 1942, de periode waarin deze brief is geschreven, was Nederland ruim anderhalf jaar bezet door nazi-Duitsland. De schaarste nam toe en de regelgeving omtrent handel en distributie werd steeds strenger. Straathandel was voor velen een essentiële bron van inkomsten, maar was gebonden aan strikte leges en vergunningen.
De vermelding van "Duyvis" in de kantlijn is interessant; het bedrijf (bekend van de oliën en later zoutjes) zette in die tijd mogelijk venters in voor de distributie van hun producten. De spanning tussen de individuele "kleine" zelfstandige met een vaste vergunning en de grotere partijen of tijdelijke gelukszoekers was in de oorlogstijd, door de heersende armoede, extra precair. Politie
Samenvatting
De brief is een uiting van onvrede over oneerlijke concurrentie in de straathandel tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijver beklaagt zich over venters die op basis van een tijdelijke vergunning het hele jaar door actief zijn, ook in wijken waar zij officieel niet mogen staan.
De kern van de klacht is economisch van aard: de schrijver betaalt 5 gulden voor een jaarvergunning en ziet zijn inkomsten ("schade") aangetast door deze tijdelijke krachten. De toon is formeel-beleefd ("Weledele Heer"), maar de afzender kiest voor anonimiteit ("Liefst onbekende Venter"), wat mogelijk wijst op angst voor represailles of sociale spanningen binnen het gilde van straatverkopers.
De aantekening in de marge suggereert dat de ontvangende instantie de klacht serieus nam; er wordt verwezen naar een inspecteur ("Insp.") en er wordt een specifiek vermoeden geuit over de identiteit van de overtreders ("de venters van Duyvis").
Historische Context
In januari 1942, de periode waarin deze brief is geschreven, was Nederland ruim anderhalf jaar bezet door nazi-Duitsland. De schaarste nam toe en de regelgeving omtrent handel en distributie werd steeds strenger. Straathandel was voor velen een essentiële bron van inkomsten, maar was gebonden aan strikte leges en vergunningen.
De vermelding van "Duyvis" in de kantlijn is interessant; het bedrijf (bekend van de oliën en later zoutjes) zette in die tijd mogelijk venters in voor de distributie van hun producten. De spanning tussen de individuele "kleine" zelfstandige met een vaste vergunning en de grotere partijen of tijdelijke gelukszoekers was in de oorlogstijd, door de heersende armoede, extra precair.