Dienstbrief van het Hoofdbureau van Politie Amsterdam.
Origineel
Dienstbrief van het Hoofdbureau van Politie Amsterdam. 5 mei 1942. De Hoofdcommissaris van Politie te Amsterdam, namens deze de Commissaris van Politie toegevoegd voor de Administratie (H. Holsbergen). De Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. HOOFDBUREAU VAN POLITIE NO 72/3/3 M. 1942 7/5 [stempel]
Dict.Bo./S1. Amsterdam-C., 5 Mei 1942.
Lr.S.No. 5141/1942.
Doss.S.l. Verzoeke bij beantwoording datum, letter en
nummer van dit schrijven aan te halen.
______
Ik heb de eer UEdelGestrenge te berichten
dat door het politiepersoneel in de Maart
1942 6 processen-verbaal werden opgemaakt
terzake overtreding van de Verordening op
het venten.
Coll.: 51 [handgeschreven] DE HOOFDCOMMISSARIS VAN POLITIE,
namens dezen
De Commissaris van Politie
toegevoegd voor de Administratie
[Handtekening]
H. Holsbergen
Aan *
den Heer Directeur van het Marktwezen
ALHIER.
M 72 - 10000-12-41 72 oud [handgeschreven] * Administratieve Routine: Het document is een voorbeeld van de ambtelijke correspondentie tussen verschillende gemeentelijke instanties (Politie en Marktwezen) in Amsterdam. Het betreft een maandelijkse rapportage over wetshandhaving.
* Formulering: De brief hanteert een uiterst hoffelijke en formele stijl ("Ik heb de eer UEdelGestrenge te berichten"), wat gebruikelijk was voor ambtelijke stukken uit die tijd.
* Handhaving: De "Verordening op het venten" regelde de straathandel. In de oorlogsjaren werd de controle op deze verordeningen aangescherpt, deels om de zwarte handel tegen te gaan, maar vaak ook als middel om specifieke groepen (zoals Joodse burgers) economisch te marginaliseren.
* Ondertekening: H. Holsbergen was een hooggeplaatste politiefunctionaris. Zijn rol als commissaris toegevoegd voor de administratie wijst op de bureaucratische controle die de politie uitoefende over het maatschappelijk leven. Dit document stamt uit mei 1942, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland zich verhardde. Hoewel de inhoud op het eerste gezicht louter administratief lijkt (zes bekeuringen voor venten), moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de toenemende beperkingen voor de bevolking.
Vanaf 1941 waren er al talrijke verordeningen uitgevaardigd die de bewegingsvrijheid en economische mogelijkheden van met name Joodse Amsterdammers inperkten. Straathandel (venten) was voor velen die hun reguliere baan of bedrijf waren kwijtgeraakt een laatste manier om aan inkomen te komen. De strikte handhaving van dergelijke verordeningen door de Amsterdamse politie, die onder direct toezicht van de bezetter stond, was een instrument in de bredere politiek van uitsluiting en controle. De ontvanger, de Directeur van het Marktwezen, was verantwoordelijk voor de marktkaarten en vergunningen, waardoor deze rapportages direct invloed konden hebben op wie wel of niet mocht handelen op straat.