Dienstbrief / Rapportage
Origineel
Dienstbrief / Rapportage 26 oktober 1942 HOOFDBUREAU VAN POLITIE
[Logo met drie blokjes]
Amsterdam-C., 26 October 1942.
Dict. Bo/dH
Lr.S. No. 5141/1942
Doss. S.I
[Groot stempel:] № 72/3/8 M. 1942 [handgeschreven:] 27/co
[Handgeschreven in de bovenhoek:] 2/30
[Handgeschreven bij stempel:] det
Ik heb de eer UEdelGestrenge te berichten, dat door het Politiepersoneel in de maand September, 28 processen-verbaal werden opgemaakt terzake overtreding van de Verordening op het venten.
Coll.: [handgeschreven paraaf]
[Blauw stempel:]
DE HOOFDCOMMISSARIS VAN POLITIE,
namens dezen
De Commissaris van Politie
toegevoegd voor de Administratie
[Handgeschreven handtekening]
AAN
den Heer Directeur van het
Marktwezen
te AMSTERDAM.
M 72 - 10000-8-42 K 9665
[Handgeschreven rechtsonder:] 72 Dit document is een formele, ambtelijke kennisgeving van het Hoofdbureau van Politie in Amsterdam aan de Directeur van het Marktwezen. De kern van de brief is een statistische mededeling: in de maand september 1942 zijn er 28 processen-verbaal opgemaakt voor het illegaal "venten" (straatverkoop).
Het taalgebruik is uiterst formeel ("Ik heb de eer UEdelGestrenge te berichten"), wat typerend is voor de hiërarchische verhoudingen binnen het openbaar bestuur van die tijd. De brief is ondertekend namens de Hoofdcommissaris door een toegevoegd Commissaris voor de Administratie. De verschillende stempels en archiefnummers wijzen op een strikte bureaucratische verwerking van de handhaving. De datum van het document (oktober 1942) plaatst deze correspondentie midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De politie in Amsterdam stond in deze periode onder streng toezicht van de bezetter, maar voerde ook nog reguliere gemeentelijke taken uit.
Handhaving op de "Verordening op het venten" had tijdens de oorlog een bijzondere lading. Vanwege de toenemende schaarste en de invoering van het distributiestelsel werd de handel op straat streng gereguleerd om de zwarte markt tegen te gaan. Daarnaast werden verordeningen rondom straathandel door de bezetter ook specifiek ingezet om de economische bewegingsvrijheid van Joodse burgers in te perken, aangezien velen van hen werkzaam waren in de (ambulante) handel. Hoewel dit document enkel een getal (28) noemt, maakt het deel uit van het bredere apparaat van controle en repressie in het bezette Amsterdam.