Archiefdocument
Origineel
[Bovenaan gecentreerd:] Avisering
12 Nov. '41. Telef. overleg met Mr. Van Reenen
betreft Bureau voor de veilingen : [rood onderstreept]
Aangenomen wordt dat de termijn
tot 1 Dec. as. waarin de Joodsche handelaren
alsnog de veilingen kunnen bezoeken
bedoeld is als overgangstermijn waarbinnen
Joodsche handelaren gelegenheid zullen hebben hun
zaken af te wikkelen voor zoover noodig is.
Aangenomen wordt voorloopig dat deze
handelaren met ingang van 1 Dec. as.
noch zelf noch door middel van een
commissionair op de veiling zullen
kunnen koopen.
Intusschen zal Mr. Van Reenen deze zaak
nog met Dr. Valstar bespreken en mij dan
berichten.
[In de linkermarge staan twee verticale rode strepen]
13 Nov '41 Telef. overleg met Mr. Oud
Directeur Staatsvisschershavenbedrijf - IJmuiden
In de vischhal en de afslag mogen
geen Joden komen. Buiten de afslag wordt
door de koopers van de veiling aan grossiers
geleverd (commissie koopers). Er bestaat
thans aan den afslag nog geen verdeeling.
Evenwel mogelijk dat deze te eeniger tijd
wordt ingevoerd. Alsdan moet op den
vasten afslag blijken voor wie de commissionairs
koopen. Op zeker zal dan voor Joodsche grossiers
geen toewijzing plaats vinden. Dit zal nog
nader worden geregeld. Deze notities werpen een onthullend licht op de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het document toont de actieve betrokkenheid van Nederlandse ambtenaren en directeuren bij het implementeren van discriminerende maatregelen.
Kernpunten uit de analyse:
1. Systematische uitsluiting: Er wordt gesproken over een 'overgangstermijn' tot 1 december 1941. Dit suggereert een zorgvuldig geplande fasering om Joden eerst uit het fysieke proces (de veiling) en vervolgens volledig uit de economische keten te verwijderen.
2. Dichtzetten van achterdeurtjes: Men is zeer expliciet over het feit dat Joodse handelaren ook niet via 'commissionairs' (tussenpersonen) mogen inkopen. Dit toont de intentie om elke vorm van economische activiteit voor Joden onmogelijk te maken.
3. Toegangsverbod: De notitie van 13 november stelt onomwonden: "In de vischhal en de afslag mogen geen Joden komen." Dit markeert de overgang van economische beperking naar fysieke segregatie en verbod op toegang tot publieke/zakelijke ruimtes.
4. Administratieve controle: De tekst bespreekt het invoeren van een 'verdeelsysteem' om te kunnen controleren wie de uiteindelijke afnemers zijn, zodat Joodse grossiers definitief kunnen worden uitgesloten van toewijzing van goederen (vis). In november 1941 was de 'Arisering' van de Nederlandse economie in volle gang. Na de initiële registratie van Joodse bedrijven (Verordening 189/1940) werden de duimschroeven steeds verder aangedraaid.
De vissector, met IJmuiden als centraal punt, was een cruciale schakel in de voedselvoorziening. De uitsluiting van Joodse handelaren uit de visafslag paste in het bredere beleid van de bezetter om Joden te isoleren van de rest van de bevolking en hen hun middelen van bestaan te ontnemen. De genoemde Mr. Van Reenen en Dr. Valstar waren sleutelfiguren binnen de Nederlandse voedselvoorzieningsorganen die onder Duits toezicht opereerden. Dit document illustreert de 'banaliteit van het kwaad': de uitsluiting van een bevolkingsgroep wordt hier behandeld als een nuchtere, administratieve en logistieke aangelegenheid.