Brief (pagina 2)
Origineel
Brief (pagina 2) 20 november 1941 Directeur van het Marktwezen (Amsterdam) Wethouder voor de Levensmiddelen Bladzijde 2 van brief No.37/15/22 M. d.d. 20 November 1941 aan
den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur
van het Marktwezen.
overige marktterrein kunnen worden afgescheiden; de ingang
blijft aan de Keucheniusstraat. Dit terrein is geheel be-
straat. Bovendien bevindt zich hierop een loods, waarin de
Joodsche grossiers zouden kunnen worden geplaatst. Deze loods
is eenige maanden geleden door de Duitsche Weermacht beschik-
baar gesteld ten behoeve van de Veiling op de Centrale Markt
ter compensatie van een ruimte, welke de Weermacht in de em-
ballageloods op de Centrale Markt, welke loods door de Veiling
is gepacht, heeft gevorderd. De betreffende loods op pier E
wordt door de Veiling momenteel (gedurende de wintermaanden)
niet ten volle gebruikt. Dezerzijds zal met de Directie van de
Veiling overleg worden gepleegd omtrent de beschikbaarstelling
van de onderhavige loods.
Ik merk hierbij nog op, dat een gedeelte van kade F
(dat is de kade bij de 2e Keucheniusstraat) is verhuurd aan de
Rijkstelefoon voor den opslag van telefoonkabels, terwijl de
Duitsche Weermacht regelmatig van deze kade gebruik maakt voor
het lossen van schepen met stroo. Een en ander kan voorloopig
(zoolang de definitieve markt niet in gebruik is genomen)
blijven doorgaan, daar deze kade dan niet voor Joodsche markt
wordt gebruikt, doch uitsluitend als toegangsweg naar terrein
E. Slechts zal het personeel van de Rijkstelefoon een bewijs
moeten worden verstrekt, waarop zij door den ingang van de 2e
Keucheniusstraat toegang tot het afgezette gedeelte kunnen
verkrijgen.
Ten aanzien van het deelnemen aan de veilingen in
het land van Joodsche groothandelaren heb ik de eer U mede te
deelen, dat ik mij hieromtrent heb verstaan met Mr. Van Reenen,
die verbonden is aan het Centraal Bureau voor de Veilingen in
Nederland. Deze deelde mede, dat en de heer Valstar, Regee-
ringscommissaris voor den tuinbouw en Voorzitter van het Cen-
traal Bureau en Mr. Niemöller, Secretaris van het Centraal
Bureau als vaststaand aannemen, dat na 1 December a.s. het den
Joodschen groothandelaren niet meer geoorloofd zal zijn direct
of indirect aan de veilingen deel te nemen. Mr. Van Reenen
deelde echter mede, dat genoemde heeren zich hieromtrent op
20 November 1941 nog nader zouden verstaan met het Departement
van Justitie. Zoodra ter zake een definitieve beslissing is
verkregen, zal ik U hiervan op de hoogte stellen. Wanneer een
beslissing als bovenomschreven, inderdaad zou worden genomen
beteekent dit, dat de Joodsche grossiers niet meer over pro-
ducten kunnen beschikken; het stichten van een Joodsche markt
op de Centrale Markt heeft dan naar mijn meening niet langer
zin.
Ten slotte heb ik de eer U in bijlage dezes over te
leggen een mij gisteremorgen door de vertegenwoordigers van de
Joodsche handelaren overhandigde "Genehmigung", waaruit blijkt,
dat aan een met name genoemde Joodsche firma toestemming wordt
verleend om tot en met 15 December a.s. de Centrale Markt te Dit document is een ambtelijke rapportage over de praktische uitvoering van de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam tijdens de bezetting. De focus ligt op twee aspecten: fysieke segregatie en economische uitsluiting.
- Fysieke Segregatie: Er wordt gedetailleerd ingegaan op het afzonderen van een deel van de Centrale Markt (nabij de Keucheniusstraat) voor Joodse handelaren. Dit terrein moet volledig afgescheiden worden van de rest van de markt. De logistieke complicaties, zoals het medegebruik van de kade door de Duitsche Weermacht en de Rijkstelefoon, worden pragmatisch benaderd.
- Economische Verstikking: Het meest cruciale deel van de brief betreft de uitsluiting van Joodse groothandelaren van nationale veilingen per 1 december 1941. De directeur van het Marktwezen merkt scherpzinnig op dat de oprichting van een speciale Joodse markt zinloos wordt als de handelaren geen toegang meer hebben tot de bron (de veilingen) om hun producten in te kopen.
- Bureaucratische houding: De toon is strikt zakelijk en ontdaan van enige morele overweging. Het proces van uitsluiting wordt behandeld als een louter administratieve en organisatorische aangelegenheid. In november 1941 was de isolatie van de Joodse bevolking in Nederland in een stroomversnelling geraakt. Na de invoering van de ariërverklaring en het ontslag van Joodse ambtenaren, richtte de bezetter zich op de economische uitsluiting.
Op 3 november 1941 was de verordening voor de instelling van Joodse markten in Amsterdam gepubliceerd. Dit was bedoeld om de interactie tussen Joden en niet-Joden tot een minimum te beperken. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat waren het kloppend hart van de voedselvoorziening; door Joden hier in een apart vak te plaatsen en hen vervolgens de toegang tot de veilingen te ontzeggen, werd hun economische positie volledig vernietigd. De genoemde heer Valstar (S.P.L. Valstar) speelde als regeringscommissaris een centrale rol in de regulering van de tuinbouwsector onder Duits toezicht.