Achterzijde (verso) van een officieel briefhoofd of formulier.
Origineel
Achterzijde (verso) van een officieel briefhoofd of formulier. 31 oktober 1943 (handgeschreven). Tekst aan de voorzijde (zichtbaar in spiegelbeeld door het papier heen):
* [Logo: Rijksadelaar met swastika]
* DER REICHSKOMMISSAR
* FÜR DIE BESETZTEN NIEDERLÄNDISCHEN GEBIETE
* DER BEAUFTRAGTE
* FÜR DIE STADT AMSTERDAM
Handgeschreven tekst (achterzijde, binnen handgetekend kader):
* Grant
* Mrey
* 31. OKT. 1943
* Nalla Bonga [mogelijk: Marta Bonga]
Handgeschreven tekst (links onderaan):
* [onleesbare signatuur, mogelijk N. J. van Dam] * Administratieve aard: De achterzijde van dit document is gebruikt voor vluchtige administratieve aantekeningen. Het handgetekende kader suggereert dat deze specifieke informatie bij elkaar hoort of gemarkeerd moest worden voor snelle referentie.
* Visuele elementen: Het meest opvallende is het doorschijnen van het briefhoofd van de voorzijde. Het logo van de Rijksadelaar en de tekst bevestigen dat dit papier afkomstig is van het kantoor van de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete, specifiek de afdeling van de Beauftragte voor de stad Amsterdam (destijds Hans Böhmcker of zijn opvolger).
* Handschrift: Het handschrift is cursief en enigszins gehaast. De naam "Nalla Bonga" (of mogelijk "Marta Bonga") is ongebruikelijk. "Bonga" is een achternaam die in Friesland voorkomt, maar de combinatie is onduidelijk zonder de context van de voorzijde. De datum 31 oktober 1943 plaatst het midden in de bezettingsperiode.
* Signatuur: De signatuur linksonder lijkt een paraaf of handtekening van een ambtenaar die het document heeft verwerkt of gezien. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Het Reichskommissariaat, onder leiding van Arthur Seyss-Inquart, was het civiele bestuur dat door de nazi's was ingesteld. De "Beauftragte voor Amsterdam" hield direct toezicht op het gemeentebestuur van Amsterdam.
In oktober 1943 was de repressie in Nederland hevig; de deportaties van de Joodse bevolking waren grotendeels voltooid en de focus van het bestuur lag op de handhaving van de orde en de inzet van de Nederlandse bevolking voor de Duitse oorlogseconomie (Arbeitseinsatz). Zonder de tekst op de voorzijde te kunnen lezen, blijft het gissen of deze aantekeningen betrekking hebben op een persoon, een dossiernummer of een specifieke administratieve handeling, maar het gebruik van officieel briefhoofd voor dergelijke krabbels was gangbaar in de bureaucratie van die tijd. J. van Dam