Ambbtelijke brief / memorandum.
Origineel
Ambbtelijke brief / memorandum. 18 maart 1943. Onbekend (geparafeerd met VD/SV, vermoedelijk een afdelingshoofd van de gemeente Amsterdam). VD/SV
den Heer Wethouder
voor Arbeidszaken,
A l h i e r.
43/13/2 M.
18 Maart 1943.
Naar aanleiding van de circulaire van den Burgemeester d.d. 10 Maart jl. No. 425a Arb.1943 met bijlage in zake ontslag overheidspersoneel met Joodsche(n) echtgenoot(e), heb ik de eer U te berichten, dat bij mijn dienst één ambtenaar en wel R. Hooft, contrôleur, salarisgroep II, wonende Veerstraat 37 III werkzaam is, op wien de circulaire van toepassing is.
Ik zou in dit geval gebruik willen maken van de mogelijkheid, bedoeld in het slot der beschikking van den Rijkscommissaris d.d. 18 Februari jl.
Zooals in mijn brief van 23 Februari jl. No.43/6/2 M. in zake uitzending gemeente-personeel naar Duitschland reeds uitvoerig werd uiteengezet, is de personeelssterkte van den Dienst thans zoodanig, dat van eenige reserve voor ziekte, vacantie e.d. in het geheel geen sprake meer is, terwijl voor de komende maanden, gezien de uitgebreide bemoeiingen van den Dienst met de vischvoorziening te dezer stede en de drukke bezigheden op de Centrale Markt gedurende het zomerseizoen, met een ernstig tekort aan personeel, speciaal aan contrôleerende ambtenaren, rekening moet worden gehouden. Hooft is reeds jaren in Gemeente-dienst en staat uitstekend aangeschreven. Het is een rustige en betrouwbare ambtenaar, Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische uitvoering van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De kern van de brief is een reactie op een verordening die bepaalde dat ambtenaren die 'gemengd gehuwd' waren (getrouwd met een Joodse partner) ontslagen moesten worden.
De briefschrijver probeert een specifieke ambtenaar, de heer R. Hooft (een controleur werkzaam op de Centrale Markt), te behouden voor de dienst. Opvallend is dat het pleidooi niet is gebaseerd op morele of humanitaire gronden – wat in die tijd gevaarlijk en waarschijnlijk zinloos zou zijn geweest – maar op strikt zakelijke en organisatorische argumenten:
1. Personeelstekort: Er is al een tekort omdat personeel gedwongen in Duitsland moet werken (de Arbeitseinsatz).
2. Continuïteit: Er is geen reserve voor ziekte of vakantie.
3. Economisch belang: Het zomerseizoen op de Centrale Markt en de visvoorziening van de stad Amsterdam vereisen ervaren controleurs.
4. Kwaliteit: De ambtenaar wordt geprezen als "uitstekend", "rustig" en "betrouwbaar".
De schrijver verwijst naar een ontsnappingsclausule in een beschikking van de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart) om een uitzondering te maken voor "onmisbaar" personeel. In het voorjaar van 1943 bereikte de uitsluiting van Joden uit het openbare leven in Nederland een dieptepunt. Na de eerdere verwijdering van Joodse ambtenaren (eind 1940), richtten de nazi-maatregelen zich nu op de zogenaamde 'gemengd gehuwden'.
De context van deze brief is de stad Amsterdam onder het bestuur van de pro-Duitse burgemeester Edward Voûte. De genoemde "Veerstraat 37 III" bevindt zich in de Schinkelbuurt in Amsterdam-Zuid. De "Centrale Markt" (de huidige Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was cruciaal voor de voedselvoorziening van de stad, die door de oorlog en bezetting steeds problematischer werd.
Dit type documenten laat de 'banaliteit van het kwaad' zien: de vervolging werd verwerkt via de reguliere kanalen van de gemeentelijke administratie, waarbij afdelingshoofden moesten onderhandelen over het behoud van hun personeel door de Joodse achtergrond van hun partners af te wegen tegen de operationele noodzaak van de visvoorziening.