Officieel bericht/circulaire (waarschijnlijk van een bedrijfschap of koepelorganisatie zoals de Hoofdgroep Industrie).
Origineel
Officieel bericht/circulaire (waarschijnlijk van een bedrijfschap of koepelorganisatie zoals de Hoofdgroep Industrie). Omstreeks november/december 1941 (verwijst naar besluiten van 4 en 17 november 1941). -7-
Rantsoeneering gas en electriciteit.
Hierbij deelen wij U mede, dat de Directeur-Generaal van de Voedselvoorziening heeft medegedeeld, dat als gevolg van de slechte kolenpositie het Rijkskolenbureau te Den Haag het noodig heeft geoordeeld de vrijstelling van de bepalingen der gas- en electriciteits-rantsoeneeringsregeling in te trekken voor zoover deze was verleend aan bedrijven, werkzaam voor de voedselvoorziening. Deze bedrijven zullen dien ten gevolge in het vervolg, evenals iedere verbruiker, gebonden zijn aan het voor hen vastgestelde rantsoen, hetwelk voorloopig tot nader order is bepaald op 100% van het voor hen vastgestelde "normale" verbruik. Onder normaal verbruik dient te worden verstaan het verbruik in het kalenderjaar 1940. Bij overschrijding van het rantsoen zullen derhalve de daarvoor geldende sancties worden toegepast.
Indien in verband met het productieprogramma het vastgestelde rantsoen niet toereikend blijkt te zijn zal tijdig door onze tusschenkomst een met redenen omkleed verzoek tot verhoging van het rantsoen of ter verkrijging van een extra toewijzing kunnen worden ingediend bij het aangewezen Hoofdbedrijfschap of Bedrijfschap. De aandacht zij er op gevestigd, dat een verhooging van het rantsoen of het verstrekken van een extra toewijzing slechts in uitzonderingsgevallen zal kunnen geschieden.
Energie-contrôleur.
De Voorzitter van de Hoofdgroep Industrie heeft bepaald, dat in alle bedrijven een contrôleur voor licht- en krachtbesparing dient te worden aangewezen, teneinde er op toe te zien, dat van de beschikbare hoeveelheid kolen, electriciteit en gas zoo spaarzaam mogelijk gebruik wordt gemaakt. In iedere afdeeling van elke onderneming, van elk bedrijf en op elk kantoor behoort iemand te worden aangewezen om er op toe te zien, dat met de ter beschikking staande energie zoo doelmatig mogelijk wordt omgegaan. Naast zijn dagelijksche taak zal hij er voor moeten waken, dat licht niet onnodig brandt, machines niet onnodig ingeschakeld blijven en elk ander materiaal of apparatuur niet onder stroom blijft staan, of met gas wordt voorzien, wanneer zulks in het geheel niet noodig is, omdat zij op dergelijke oogenblikken toch niet worden gebruikt.
Instelling Grondstoffenbezuinigingscommissie.
De St.Crt. van 17 November jl. vermeldt de instelling van een Grondstoffenbezuinigingscommissie te 's-Gravenhage gevestigd, welke o.m. tot taak heeft gegevens en voorstellen, welke tot beperking van grondstoffen kunnen leiden te verzamelen en te coördineeren en deze ter kennis te brengen van den door den Rijkscommissaris ingestelden "Sparstoffausschuss", resp. "Sparstoffkommissar", alsmede vragen en wenschen van laatstbedoelde instantie te behandelen en door te geven aan de betrokken Rijksbureaux en de antwoorden van deze Rijksbureaux te coördineeren. Voor de uitvoering van bovenbedoelde werkzaamheden wordt tevens ingesteld een Bureau Grondstoffenbesparing gevestigd te 's-Gravenhage, Lyceumplein 18, tel. 116636. Deze beschikking is op 18 November jl. in werking getreden.
DIVERSEN.
Steunverleening aan stilgelegde bedrijven.
Bij besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart dd. 4 November 1941, Verordeningenblad no. 219/1941 werd een regeling getroffen voor de geheele industrie met uitzondering van de voedselvoorzieningsindustrie inzake steunverleening aan stilgelegde bedrijven.
De inhoud van dit "Besluit steunverleening stilgelegde bedrijven" werd uitvoerig behandeld in het Mededeelingenblad van de Hoofdgroep Industrie. Belangstellende leden kunnen door onze bemiddeling de desbetreffende nos. betrekken.
Het ligt in de bedoeling voor den voedingsmiddelensector eveneens een regeling te treffen, welke niet alleen de industrieele doch ook de landbouw-, handels- en ambachtsondernemingen zal omvatten.
Aangezien met de totstandkoming van een dergelijke regeling vermoedelijk geruime tijd gemoeid is, werd voor de voedingsmiddelenindustrie een voorloopige regeling ontworpen, welke aansluit bij de bestaande regeling voor het overige deel van de industrie.
De besturen van de vijf bedrijfsgroepen, welke behooren tot de voedingsmiddelenindustrie (d.z. de Bedrijfsgroepen Derivaten van Landbouwproductenverwerkende Industrie, Binnen- en Buitenlandsche Akkerbouwproductenverwerkende Industrie, Industrie van Oliën, Margarine, Vetten en Verwerking van Dierlijke Producten, Zuivel- en Melkproductenindustrie en het Melkinrichtingwezen en Groenten- en Fruitverwerkende Industrie) hebben in principe hun instemming betuigd met een conceptregeling, waarbij * Economische druk: Het document illustreert de overgang naar een totale oorlogseconomie. Zelfs de voedselvoorziening, die voorheen prioriteit genoot, verliest haar vrijstellingen voor energieverbruik door nijpende kolentekorten.
* Administratieve controle: Er is sprake van een fijnmazig controlesysteem. Bedrijven worden verplicht "energie-contrôleurs" aan te stellen op elk niveau (tot op kantoor aan toe). Dit wijst op een dwingende noodzaak tot besparing en verregaande bemoeienis van bovenaf.
* Duitse invloed: De vermelding van de "Sparstoffausschuss" en de "Sparstoffkommissar" (beide onder de Rijkscommissaris, Arthur Seyss-Inquart) toont de directe integratie van de Nederlandse economie in de Duitse oorlogsbelangen.
* Rationalisatie van de industrie: Het stuk over stilgelegde bedrijven suggereert dat veel ondernemingen de deuren moesten sluiten (mogelijk door gebrek aan grondstoffen of door gedwongen concentratie van de industrie). Voor de achterblijvers in de voedingssector wordt een specifieke steunregeling ontworpen. Dit document stamt uit de winter van 1941, een periode waarin de bezetting in Nederland een grimmiger karakter kreeg. De euforie van de snelle Duitse overwinningen was voorbij en de economie raakte uitgeput door de eisen van het Oostfront.
De "kolencrisis" was een direct gevolg van het feit dat een groot deel van de Nederlandse kolenproductie naar Duitsland werd getransporteerd. Hierdoor ontstonden brandstoftekorten voor de eigen industrie en bevolking. De oprichting van Rijksbureaux en commissies was kenmerkend voor de bureaucratische aanpak van de bezetter om schaarse middelen (zoals gas, elektriciteit en grondstoffen) te beheren. De tekst laat zien hoe de Nederlandse bedrijfsstructuur (Hoofdbedrijfschappen) werd ingezet om dit beleid uit te voeren.