Afschrift van een verzoekschrift met ambtelijke kanttekening.
Origineel
Afschrift van een verzoekschrift met ambtelijke kanttekening. 17 mei 1944 (verzoek), 24 mei 1944 (doorsturing voor advies). J.W. Vroonenbroek, winkelier aan de Van Ostadestraat 110 W te Amsterdam. Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Amsterdam. A F S C H R I F T.
No. 479 L.M. 1944 22/5
Amsterdam, 17 Mei 1944.
Ondergeteekende, J.W. Vroonenbroek, wonende te Amsterdam, Van Ostadestraat 110 W. winkelier in haring, zoute en gerookte vischsoorten en aanverwante artikelen, verzoekt hiermede hem eveneens vergunning te verleenen voor de verkoop van vèrsche visch.
Ondergeteekende verzoekt hierom, omdat hij hoewel ingedeeld bij de afdeeling Detailhandel, tevens lid van de Visscherij-centrale, slechts sporadisch in aanmerking komt voor gerookte visch en daar de verkoop van haring zoowel van zoute visch sedert het uitbreken van den oorlog is stopgezet, hij dus eigenlijk alleen artikelen als zuurwaren, croquetten e.d. kan verkoopen.
Daar een achttien tal winkeliers, die ook vroeger geen versche visch verkochten, voor de verkoop hiervan zijn aangewezen, verzoekt hij beleefd ook hiervoor aangewezen te worden, opdat hij ook in de toekomst voor zich en zijn gezin zal kunnen zorgdragen.
In afwachting van Uw geeerde berichten, verblijft hij met de meeste hoogachting,
Uw dw. dnr.
w.g. J.W. Vroonenbroek
Aan den Heeren Burgemeester en Wethouders
der Gemeente Amsterdam.
De Wethouder voor de Levensmiddelen enz.
stelt deze in handen van den Heer
Directeur van het Marktwezen en den Gem.
Adviseur om advies.
Amsterdam, 24 Mei 1944.
No. 46b/89/1M. 1944 25/5. Dit document is een getypt afschrift van een officieel verzoekschrift uit de Tweede Wereldoorlog. De kern van de tekst is een noodkreet van een kleine ondernemer, J.W. Vroonenbroek, wiens nering in haring en zoute vis door de oorlogsomstandigheden vrijwel volledig is komen stil te liggen. Hij verkoopt op dat moment noodgedwongen alleen nog maar bijproducten zoals zuurwaren en kroketten.
Om zijn gezin te kunnen onderhouden, vraagt hij toestemming om verse vis te mogen verkopen. Hij voert hierbij een argument van rechtsgelijkheid aan: hij stelt dat achttien andere winkeliers die voorheen ook geen verse vis verkochten, inmiddels wel die toestemming hebben gekregen.
Onderaan het document staat de ambtelijke verwerking genoteerd. De Wethouder voor Levensmiddelen stuurt het verzoek door naar de Directeur van het Marktwezen en de Gemeentelijk Adviseur voor een officieel advies. De bureaucratische molen bleef, ondanks de bezetting, nauwgezet functioneren. Het document dateert van mei 1944, een periode waarin de voedselschaarste in bezet Nederland steeds nijpender werd. De handel in vis was streng gereguleerd door de bezetter en de Nederlandse distributie-instanties.
De genoemde "Visscherij-centrale" was een door de overheid gecontroleerd orgaan dat tijdens de bezetting toezicht hield op de visserijsector. De aanvoer van haring en zoute vis was door de oorlogsvoering op de Noordzee en het gebrek aan brandstof voor de vissersvloot vrijwel tot stilstand gekomen. Winkeliers moesten zich daarom richten op andere producten of hopen op speciale vergunningen voor schaarse goederen zoals verse vis.
De Van Ostadestraat ligt in De Pijp, een dichtbevolkte Amsterdamse volkswijk waar in die jaren de overleving van kleine neringdoenden en hun gezinnen dagelijks onder grote druk stond. Dit document illustreert de persoonlijke en economische impact van de bezetting op het dagelijks leven in de stad.