Doorslag van een getypte brief of ambtelijk memorandum.
Origineel
Doorslag van een getypte brief of ambtelijk memorandum. Circa eind 1940 of begin 1941 (gebaseerd op de tekst "sedert 14 September 1939, dus reeds langer dan een jaar"). Ditzelfde geldt voor B.Kloos, die sedert 14 Septem-
ber 1939, dus reeds langer dan een jaar ondersteuning geniet;
hij bezette plaatsen op Uilenburg en Dapperstraat met haring;
op deze markten kan men trouwens in den regel spoedig voor
een vaste plaats in aanmerking komen. Ook in dit geval wordt
dezerzijds geadviseerd de plaatsen in te trekken.
Op de in bijlage II van mijn brief d.d. 2 Augustus
jl. no.17/1/3 M. genoemde kooplieden had betrekking Uw brief
d.d. 7 September jl. no.152 L.M.1939, waarin U mededeelde, geen
bezwaar te hebben, dat de plaatsen van de daarin bedoelde
kooplieden, behalve van I.Stibbe, werden ingetrokken. Hieraan
is inmiddels gevolg gegeven. Ik merk hierbij nog op, dat
I.Stibbe begin September jl. uit steun is gekomen, doch dat
zijn plaats op 23 September daaropvolgend wegens wanbetaling
werd ingetrokken.
De Directeur, Dit document is een ambtelijke correspondentie betreffende het marktwezen, waarschijnlijk afkomstig van de Amsterdamse Marktwezen-administratie. De kern van het document is de handhaving van regels omtrent marktvergunningen in relatie tot de financiële status van de kooplieden.
- Geval B. Kloos: Deze haringsman wordt voorgedragen voor intrekking van zijn vergunningen op de markten Uilenburg en Dapperstraat omdat hij al meer dan een jaar afhankelijk is van "ondersteuning" (bijstand). De redenatie is dat de schaarse marktplaatsen niet bezet moeten worden door mensen die niet zelfvoorzienend zijn.
- Geval I. Stibbe: Hier wordt een eerdere beslissing toegelicht. Stibbe mocht zijn plaats aanvankelijk behouden omdat hij niet langer in de steun zat. Echter, kort daarna is zijn vergunning alsnog ingetrokken, niet vanwege de bijstand, maar wegens "wanbetaling" (waarschijnlijk van het marktgeld).
- Toon: De tekst is zakelijk en bureaucratisch, typerend voor de Nederlandse overheidsadministratie in die periode. De genoemde locaties, de Uilenburg en de Dapperstraat, zijn iconische Amsterdamse markten. De Uilenburgstraat lag in het hart van de oude Joodse buurt (de Jodenbuurt).
Hoewel het document op het eerste gezicht een louter economische of sociale maatregel lijkt (het weren van steuntrekkers van de markt), moet de tijdsperiode (1939-1940) in acht worden genomen. In de jaren '30 heerste er grote armoede, maar na de Duitse inval in mei 1940 kregen dit soort administratieve maatregelen vaak een grimmiger karakter, zeker in buurten met veel Joodse bewoners. De "opschoning" van de markten door vergunningen in te trekken van de armsten trof disproportioneel veel Joodse marktkooplieden, die vaak in precaire economische omstandigheden verkeerden. Het document illustreert de harde bureaucratische realiteit waarin het recht op arbeid (een marktplaats) direct gekoppeld was aan financiële onafhankelijkheid van de staat.