Ambtelijke brief / intern memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief / intern memorandum. 8 november 1940. Vermoedelijk de Directie van het Marktwezen (gezien de inhoud). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Linksboven handgeschreven: een grote ‘X’ met twee lijnen eronder]
[Rechtsboven handgeschreven:] M. de Haer
VD/HG.
17/1/9 M.
8 November 1940.
Toepassing artikel 11c
Reglement op de Markten.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Linkermarge handgeschreven:]
M. de Haer, Ja
thans opruimen!
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 28 October jl. onder no. 152 L.M. 1939 om advies ontvangen stukken heb ik de eer U te berichten, dat de plaatsen van de op bijlage I, behoorende bij mijn brief van 2 Augustus jl. no. 17/1/3 M., voorkomende kooplieden: H. van Hofwegen, P. Laterveer, G.C.A. Ronen, J. Rooselaar, B. van Straten, G.W. Wilms en E. de Wolf overeenkomstig het zich onder de stukken bevindende advies van den Directeur voor Maatschappelijken Steun zullen worden ingetrokken. M. van Praag heeft zijn plaatsen inmiddels weder bezet, evenals A. Bouwmeester gedurende korten tijd, want de laatste geniet sedert October jl. weder volledige ondersteuning.
Omtrent A. van Eysden, J. Klaverstijn, B. Kloos en J.M. Moffie Zwaag adviseert voornoemde Directeur, de plaatsen nog niet in te trekken; met dit advies kan ik mij bezwaarlijk vereenigen om de volgende redenen:
A. van Eysden geniet sedert 16 September 1939 steun; heeft een vaste plaats op Uilenburg; mijns inziens kan deze plaats worden ingetrokken, omdat, indien Van Eysden te zijner tijd weder een vaste plaats op deze markt zou willen innemen, hij deze zeer spoedig zou krijgen, gezien het geringe aantal sollicitanten voor een dergelijke plaats op Uilenburg.
Voor J.M. Moffie Zwaag geldt dit eveneens.
J. Klaverstijn geniet sedert 9 December 1939, dus bijna een jaar ondersteuning; hij heeft een vaste plaats op het vischgedeelte der markt Albert Cuypstraat. Ik acht het zeer ongewenscht, dat deze plaats nog langer wordt vrij gehouden, vooral ook, omdat zelfs bij benadering niet kan worden bepaald, wanneer de vischhandel weder normaal zal worden; deze plaats kan dan worden uitgegeven aan een houder van een voorkeurskaart, die thans iederen dag met visch een plaats op dit gedeelte der markt inneemt. Ik adviseer U mitsdien mij te machtigen ook deze plaats in te trekken. * Kern van de zaak: De brief handelt over de strikte uitvoering van de marktverordening. Op basis van artikel 11c van het Reglement op de Markten kunnen standplaatsen worden ingetrokken als de houder ervan "steun" (sociale uitkering) ontvangt. De redenering is dat wie niet actief handelt, zijn recht op een schaarse vaste plek verliest.
* Conflict over advies: Er is een meningsverschil tussen de "Directeur voor Maatschappelijken Steun" (die milder wil zijn voor vier specifieke gevallen) en de schrijver van deze brief (die een harder beleid voorstaat).
* Argumentatie voor intrekking: De schrijver voert aan dat de steunverlening al erg lang duurt (sinds 1939) en dat het "ongewenscht" is om plekken onbezet te laten, zeker op populaire markten zoals de Albert Cuypstraat, waar anderen met een "voorkeurskaart" staan te wachten.
* Besluitvorming: De handgeschreven kanttekening ("M. de Haer, Ja thans opruimen!") laat zien dat de politiek verantwoordelijke (Wethouder of hoge ambtenaar De Haer) de harde lijn volgt en opdracht geeft tot de "opruiming" (het intrekken van de vergunningen). * Tijdsgewricht: De brief is gedateerd 8 november 1940, zes maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratieve, bureaucratische toon heeft, is de context van de vroege bezettingsjaren cruciaal.
* Antisemitisme: De namen in de brief (o.a. Moffie Zwaag, Van Praag, Klaverstijn) en de locaties (Uilenburg, destijds een arme Joodse buurt) wijzen erop dat een aanzienlijk deel van de genoemde kooplieden Joods was. Hoewel de brief formeel over "marktregels" en "steun" gaat, paste het intrekken van standplaatsen van Joodse Amsterdammers in het bredere patroon van de toenemende uitsluiting en verarming van de Joodse bevolking door de bezetter en meewerkende instanties.
* Sociaal-economisch: De brief illustreert de bittere armoede onder marktkooplieden aan de vooravond van en tijdens de oorlog; velen waren voor hun overleving afhankelijk van de steun, wat hen vervolgens hun standplaats kostte.