Archiefdocument
Origineel
25 november 1940. VP/HG. [handgeschreven: extra]
17/4/1 M.
25 November 1940.
Wijziging artikel 23 Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Krachtens artikel 23 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden bedraagt het zoogenaamde afslaggeld, dat in de hal op de Vischmarkt wordt geheven, 5% van de bruto-opbrengst der afgeslagen visch, met dien verstande, dat, indien de bruto-opbrengst van de door denzelfden aanvoerder aan den afslag gebrachte visch in een kalenderjaar meer dan ƒ 5.000,- heeft bedragen, hem een reductie wordt uitbetaald, gelijk aan 1% van het bedrag, waarmede die opbrengst ƒ 5.000,- te boven ging; is de bruto-opbrengst in het kalenderjaar hooger dan ƒ 10.000,- geweest, dan bedraagt de reductie over het bedrag boven ƒ 10.000,- 2%. Deze reductieregeling werd in 1932 door den Gemeenteraad vastgesteld. Blijkens de voordracht No. 847 (Gemeenteblad 1932 Afd. I Bladz. 2069 en volgende), alsmede blijkens het aan die voordracht ten grondslag liggende rapport van den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening Afdeeling Vischhal d.d. 14 April 1932 (No. 1790 Hal) was het de bedoeling van de onderhavige regeling om den aanvoer door Urker visschers naar den Gemeentelijken Vischafslag te bevorderen; met de mogelijkheid, dat ook andere aanvoerders, namelijk handelaren, die visch aan den afslag zouden zenden, voor de bedoelde reductie in aanmerking zouden komen, werd blijkbaar geen rekening gehouden. Aan den Vischafslag werden trouwens van door handelaren ingezonden visch, geen besommingststaten bijgehouden, zooals dit met de visch van Urker visschers geschiedde. Het gevolg hiervan was, dat tot nu toe nimmer aan een handelaar een uitkeering op grond van het in den aanhef dezes aangehaalde artikel werd gedaan, terwijl de uit dien hoofde aan Urker visschers gedane betalingen slechts gering waren. In 1936 werd aan Urker visschers als reductie uitgekeerd: ƒ 121,58; in 1937: ƒ 144,24; in 1938: ƒ 24,12 en in 1939: nihil.
Het laatste jaar nam de aanvoer door handelaren aan den afslag belangrijk toe, terwijl die van Urker visschers zeer veel verminderde, zoowel door den strengen winter van het afgeloopen jaar als door de oorlogsomstandigheden. Dit document betreft een ambtelijke toelichting op een voorgestelde wijziging van de verordening betreffende marktgelden, specifiek gericht op het "afslaggeld" (veilingkosten) bij de vismarkt.
Kernpunten:
1. Bestaande Regeling: Een reductieregeling uit 1932 bood een korting op het afslaggeld (1% boven ƒ 5.000,- en 2% boven ƒ 10.000,- omzet per jaar).
2. Oorspronkelijk Doel: De regeling was destijds specifiek bedoeld om Urker vissers te stimuleren hun vis naar deze specifieke gemeentelijke afslag te brengen.
3. Probleemstelling: Handelaren werden in de praktijk uitgesloten van deze reductie omdat hun administratie (besommingstaten) niet op dezelfde wijze werd bijgehouden als die van de Urker vissers.
4. Veranderde Omstandigheden: In 1940 is de aanvoer door Urker vissers nagenoeg stilgevallen, terwijl de aanvoer door tussenhandelaren juist is toegenomen. De tekst suggereert dat de huidige regeling hierdoor ondoelmatig en onbillijk is geworden. Het document is gedateerd op 25 november 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context is tweeledig:
- Lokaal/Economisch: Het betreft hoogstwaarschijnlijk de stad Groningen (gezien de verwijzingen naar het Gemeenteblad en de historische link tussen Urker vissers en de Groningse vismarkt). De gemeente probeert de visvoorziening voor de stad veilig te stellen. Nu de directe aanvoer van vissers stokt, wordt de rol van handelaren crucialer voor de voedselvoorziening.
- Oorlogstijd: De brief noemt expliciet "oorlogsomstandigheden" en de "strengen winter" als oorzaken voor de terugloop in visaanvoer vanuit Urk. De oorlog zorgde voor restricties op de scheepvaart, brandstoftekorten en vorderingen van schepen, wat de visserij bemoeilijkte. De "Levensmiddelenvoorziening" was in deze periode een kritieke ambtelijke taak onder streng toezicht van de bezetter, waarbij efficiënte distributie en prijsbeheersing essentieel waren.