Archiefdocument
Origineel
19 juni 1940 (verzonden op 21 juni 1940 blijkens handgeschreven aantekening). Permanente Commissie van Advies inzake ventvergunningen. [Handgeschreven rechtsboven:] C. de Boer
[Handgeschreven middenboven:] verzonden 21/6
[Getypt rechtsboven:] VP/G.
[Getypt linksboven:] 18/35/2 M.
n diverse
19 Juni 1940.
Aanvraag ventvergunning
ten name van Ph. Locher.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Onder terugzending van de bylagen, ontvangen met Uw missive d.d. 27 April jl. (No. 70/105 L.M. 1940) heeft de Permanente Commissie van Advies inzake ventvergunningen de eer U te berichten, dat zy deze missive heeft behandeld in haar vergadering d.d. 17 Juni jl. De Commissie is eenstemmig van oordeel, dat aan de overgelegde verklaringen van venters geen waarde kan worden gehecht. Zy verklaren, dat zy met Locher hebben gevent; ongetwyfeld zal hy wel eens aan hun kar zyn geweest om te helpen, doch hieruit blykt geenszins, dat Locher zelfstandig van het venten zyn beroep heeft gemaakt. Tegenover de verklaring van den Nederlandschen Bond van Kleinhandelaren in het Visch- en Haringbedryf staat de besliste verklaring van den marktopzichter De Wolff, die in 1933 en daarvoor op de markt aan de Albert Cuypstraat dienstdeed; De Wolff verklaart, dat hy Locher uitsluitend kent als marktkoopman en niet als venter. De verklaring van den agent van politie werd bereids besproken in het rapport van de Commissie d.d. 24 April 1939 (No. 18/15/2 M). De Commissie herhaalt, hetgeen zy toen dienaangaande opmerkte, namelyk, dat adressant misschien wel eens op de markt heeft gevent met een restant visch van zyn vader, waardoor de agent van politie ertoe is gekomen, de verklaring af te geven.
Hoe dit alles zy, de Commissie is eenstemmig van meening, dat aan de bovenbedoelde verklaringen niet zoodanige waarde kan worden toegekend, dat daardoor het oordeel der Commissie zou moeten worden gewyzigd. Zy acht dan ook geen termen aanwezig om haar eerder ingenomen standpunt te herzien en geeft U mitsdien beleefd in overweging ook dit herhaalde verzoek van de hand te wyzen.
De Voorzitter,
De Secretaris, * Kern van de zaak: Het betreft een negatief advies over de aanvraag van een ventvergunning door de heer Ph. Locher. De commissie ziet geen reden om een eerdere afwijzing te herzien.
* Bewijsvoering: Locher voert verklaringen aan van collega-venters en een brancheorganisatie (Nederlandschen Bond van Kleinhandelaren in het Visch- en Haringbedryf) om aan te tonen dat hij een professionele venter is. De commissie verwerpt deze bewijzen. Zij hecht meer waarde aan de verklaring van marktopzichter De Wolff, die Locher enkel als marktkoopman op de Albert Cuypmarkt kent, en niet als straatventer.
* Interpretatie commissie: De commissie stelt dat het incidentele helpen bij een kar of het verkopen van restanten vis van zijn vader niet kwalificeert als het "zelfstandig van het venten zijn beroep maken".
* Status: Het document is een formeel ambtelijk adviesstuk aan het college van Wethouders (specifiek de wethouder Levensmiddelen). * Tijdsgewricht: Het document is gedateerd 19 juni 1940, kort na de Duitse inval en het begin van de bezetting van Nederland. Ondanks de oorlogssituatie ging de reguliere gemeentelijke administratie en de handhaving van verordeningen (zoals de ventvergunningen) gewoon door.
* Lokale geschiedenis: De verwijzing naar de Albert Cuypstraat plaatst dit document direct in de context van de Amsterdamse marktgeschiedenis. De Albert Cuyp was (en is) een van de belangrijkste handelsplaatsen van de stad.
* Regulering: In deze periode was er een strikte scheiding tussen standplaatsen op de markt en het 'venten' (langs de deuren gaan). Vergunningen waren schaars en de overheid probeerde de concurrentie tussen handelaren te beheersen door streng toe te zien op wie welk type handel mocht drijven. Het bewijzen van "vakbekwaamheid" of een historie in het vak was essentieel voor het verkrijgen van dergelijke papieren.