Afschrift van een officiële brief (besluit).
Origineel
Afschrift van een officiële brief (besluit). 27 juni 1940. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (namens deze: F. van Meurs). (Linksboven, handgeschreven:) Gezien [onleesbare paraaf]
(Rechtsboven, handgeschreven:) Perm. Cie van Advies
GEMEENTE AMSTERDAM
Afschrift
Afd.L.M. Amsterdam, 27 Juni 1940.
No.70/105 1940.
(Paars stempel:) Nº 18/35/3 M. 1940 27/6
Naar aanleiding van Uw herhaald verzoek om een ventvergunning, deel ik U mede, dat ook thans niet is kunnen komen vast te staan, dat U alhier in 1933 zelfstandig van het venten Uw beroep maakte.
Integendeel is gebleken, dat U destijds Uw vader als marktkoopman behulpzaam waart, terwijl U ook wel eens met visch op de markt zult hebben gevent.
Ik vind dan ook geen termen, U in het bezit van een ventvergunning te stellen.
M.
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
(get.) F. VAN MEURS
(Handgeschreven in blauw/paars krijt/stift:)
medegedeeld in
79ste vergadering
Aan den Heer Ph. Locher
Alb.Cuypstraat 103/I
Amsterdam (Z.) Dit document betreft een formele afwijzing van een aanvraag voor een ventvergunning (een vergunning om goederen op straat te verkopen). De kern van de afwijzing ligt in een bewijslast: de aanvrager, de heer Ph. Locher, kan niet aantonen dat hij al in 1933 zelfstandig als venter werkzaam was. Volgens de toenmalige regelgeving was dit een vereiste om in 1940 (nog) een vergunning te verkrijgen of te behouden.
Uit onderzoek van de gemeente bleek dat de heer Locher in die periode slechts "behulpzaam" was bij zijn vader, die marktkoopman was, en dat hij slechts incidenteel vis verkocht. Omdat hij niet voldeed aan de criteria voor een zelfstandig beroepsuitoefenaar in het referentiejaar 1933, wordt zijn verzoek definitief afgewezen.
De handgeschreven aantekening onderaan geeft aan dat dit besluit is gerapporteerd ("medegedeeld") tijdens de 79ste vergadering van de betreffende commissie of het college. De datum van het document, 27 juni 1940, is zeer relevant. Nederland was op dat moment net ruim een maand bezet door nazi-Duitsland (na de capitulatie op 15 mei 1940). Hoewel de brief een voortzetting lijkt van een vooroorlogs administratief proces ("Uw herhaald verzoek"), vond de afhandeling plaats onder het vroege regime van de bezetting.
In deze periode werden bureaucratische regels vaak strikter gehandhaafd. Het adres van de aanvrager, Albert Cuypstraat 103/I, bevond zich in De Pijp, een wijk met op dat moment een aanzienlijke Joodse populatie. In de loop van 1940 en 1941 werden door de bezetter steeds meer beperkende maatregelen opgelegd aan Joodse burgers, waaronder het intrekken of weigeren van handelsvergunningen. Hoewel deze specifieke brief zich baseert op een gebrek aan bewijs uit 1933 (waarschijnlijk refererend aan de Vestigingswet uit de jaren '30 om de middenstand te reguleren tijdens de economische crisis), past de rigide afwijzing in het tijdsbeeld van toenemende uitsluiting en administratieve controle. F. van Meurs L.M. Amsterdam M. Gemeente Amsterdam