Doorslag (carbonkopie) van een getypte brief.
Origineel
Doorslag (carbonkopie) van een getypte brief. 7 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Gemeente Amsterdam). Den Heer M. Ortje, Nieuwe Achtergracht 101, Amsterdam-Centrum. vD/HG.
den Heer M.Ortje,
Nieuwe Achtergracht 101,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.
18/81/2 M. 7 December 1940.
Naar aanleiding van een mededeeling van den Wethouder voor
de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen
moet ik U berichten, dat U ingevolge opdracht van den Secretaris-
Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Binnenlandsche
Zaken van Uw functie als plaatsvervangend lid van de Commissie
van Advies voor de Markten en de Commissie van Advies voor de Cen-
trale Markt is ontheven.
De Directeur, De kern van deze korte, zakelijke brief is het eervol ontslag (ontheffing uit de functie) van de heer M. Ortje als plaatsvervangend lid van twee adviescommissies die betrekking hebben op de Amsterdamse markten.
Opvallend is de hiërarchische weg die in de brief wordt beschreven: de opdracht komt van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken (op dat moment de hoogste Nederlandse ambtenaar op dat departement), wordt gecommuniceerd via de Amsterdamse Wethouder voor Levensmiddelen, en uiteindelijk schriftelijk bevestigd door de Directeur van de betreffende dienst. De toon is strikt formeel en bureaucratisch, zonder opgaaf van reden voor de ontheffing. Dit document is geproduceerd tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland (mei 1940 – mei 1945). De datum, 7 december 1940, is cruciaal.
In het najaar van 1940 voerden de Duitse bezetters de eerste anti-Joodse maatregelen in binnen het openbaar bestuur. In oktober 1940 moesten alle ambtenaren de zogeheten 'Ariërverklaring' tekenen. In november 1940 volgde de schorsing van alle Joodse ambtenaren en personen in publieke functies, in opdracht van de rijkscommissaris Seyss-Inquart.
De ontvanger van de brief, Max Ortje (1893-1943), was een Joodse Amsterdammer, koopman en actief binnen de SDAP. Hij woonde inderdaad op de Nieuwe Achtergracht 101. Hoewel de brief geen expliciete reden noemt, past deze ontheffing naadloos in het proces van de 'gelijkschakeling' en de uitsluiting van Joden uit het openbare en maatschappelijke leven. Kort na de algemene schorsing van ambtenaren in november, werden ook Joodse burgers uit adviescommissies en andere nevenfuncties verwijderd.
Dit document markeert voor Max Ortje een vroeg stadium van de vervolging: het verlies van zijn maatschappelijke status en invloed. Max Ortje en zijn gezin werden later in de oorlog gedeporteerd; hij werd in 1943 vermoord in Sobibor. M. Ortje Gemeente Amsterdam
Samenvatting
De kern van deze korte, zakelijke brief is het eervol ontslag (ontheffing uit de functie) van de heer M. Ortje als plaatsvervangend lid van twee adviescommissies die betrekking hebben op de Amsterdamse markten.
Opvallend is de hiërarchische weg die in de brief wordt beschreven: de opdracht komt van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken (op dat moment de hoogste Nederlandse ambtenaar op dat departement), wordt gecommuniceerd via de Amsterdamse Wethouder voor Levensmiddelen, en uiteindelijk schriftelijk bevestigd door de Directeur van de betreffende dienst. De toon is strikt formeel en bureaucratisch, zonder opgaaf van reden voor de ontheffing.
Historische Context
Dit document is geproduceerd tijdens de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland (mei 1940 – mei 1945). De datum, 7 december 1940, is cruciaal.
In het najaar van 1940 voerden de Duitse bezetters de eerste anti-Joodse maatregelen in binnen het openbaar bestuur. In oktober 1940 moesten alle ambtenaren de zogeheten 'Ariërverklaring' tekenen. In november 1940 volgde de schorsing van alle Joodse ambtenaren en personen in publieke functies, in opdracht van de rijkscommissaris Seyss-Inquart.
De ontvanger van de brief, Max Ortje (1893-1943), was een Joodse Amsterdammer, koopman en actief binnen de SDAP. Hij woonde inderdaad op de Nieuwe Achtergracht 101. Hoewel de brief geen expliciete reden noemt, past deze ontheffing naadloos in het proces van de 'gelijkschakeling' en de uitsluiting van Joden uit het openbare en maatschappelijke leven. Kort na de algemene schorsing van ambtenaren in november, werden ook Joodse burgers uit adviescommissies en andere nevenfuncties verwijderd.
Dit document markeert voor Max Ortje een vroeg stadium van de vervolging: het verlies van zijn maatschappelijke status en invloed. Max Ortje en zijn gezin werden later in de oorlog gedeporteerd; hij werd in 1943 vermoord in Sobibor.