Archiefdocument
Origineel
4 december 1940. GEMEENTE AMSTERDAM
No. 10/01/1 M. 1940 B/12
AFD. L.M.
No. 927 -1940-
BIJLAGEN: 1.
AMSTERDAM, 4 December 1940.
m. dir. [handgeschreven]
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
Onder verwijzing naar bijgaand rondschrijven van den Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Binnenlandsche Zaken, verzoek ik U de Joodsche leden, respectievelijk plaatsvervangende leden van de Commissie van Advies voor de Markten, van de Commissie van Advies voor de Centrale Markt en van de Permanente Commissie van Advies inzake Ventvergunningen er schriftelijk van te willen verwittigen, dat zij ingevolge de bovenbedoelde Regeeringsopdracht van hun functie als lid, respectievelijk plaatsvervangend lid van een of meer der genoemde Commissies, moeten worden ontheven.
Dit betreft de volgende personen:
Commissie van Advies voor de Markten:
Leden:
M.E. Neeter, Anemonenstraat 23, Santpoort
S. Presser, Tugelaweg 32, Amsterdam
plv. leden:
M. Ortje, Nwe Achtergracht 101 [id.]
G. Hoepelman, Roetersstraat 2 b, [id.]
Commissie van Advies voor de Centrale Markt:
Leden:
B. Polak, Diezestraat 10, [id.]
S. Presser, Tugelaweg 32, [id.]
M.E. Neeter, Anemonenstraat 23, Santpoort
plv. leden:
B. Worms, Lepelstraat 8, Amsterdam
M. Ortje, Nwe Achtergracht 101 [id.]
Permanente Commissie van Advies inzake Ventvergunningen.
Leden:
M.E. Neeter, Anemonenstraat 23, Santpoort
S. Presser, Tugelaweg 32, Amsterdam
De overige leden en plaatsvervangende leden der Commissies ontvangen van mij een schrijven, waarin wordt verzocht mij mede te willen deelen of de circulaire van den Secretaris-Generaal ook op hen van toepassing is.
Nadat ik hierop antwoord ontvangen heb, zal ik de desbetreffende verenigingen aanschrijven, andere vertegenwoordigers aan te wijzen.
vM
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handtekening]
Aan
den heer Directeur van den
Dienst van het Marktwezen.
Model G.A. 6
50.000-10-'37
--- Deze brief is een administratief bewijsstuk van de vroege fase van de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het document illustreert hoe de uitsluiting van Joden uit het openbare leven via de reguliere ambtelijke kanalen werd georganiseerd.
- De Ariërverklaring: De passage over de "overige leden" die moeten verklaren of de circulaire "ook op hen van toepassing is", verwijst direct naar de invoering van de Ariërverklaring in oktober 1940. Ambtenaren en functionarissen moesten tekenen dat zij niet van Joodse afkomst waren.
- Systematische uitsluiting: De brief noemt specifieke namen en adressen (zoals de heren Neeter, Presser, Ortje, Hoepelman, Polak en Worms). Dit laat zien hoe nauwgezet de gemeente Amsterdam de Joodse burgers in kaart bracht en uit hun functies verwijderde.
- Sectoren: Het ontslag betreft hier adviescommissies gerelateerd aan de markthandel en voedselvoorziening, vitale onderdelen van de Amsterdamse economie waarin vanouds veel Joodse Amsterdammers werkzaam waren.
- Verantwoordelijkheid: De brief is ondertekend door de wethouder namens het college. Hoewel uitgevoerd onder druk van de bezetter, toont het document de meewerkende houding van het Nederlandse overheidsapparaat bij de uitvoering van anti-Joodse maatregelen.
--- In het najaar van 1940 vaardigde de Duitse bezetter een reeks verordeningen uit die bedoeld waren om Joden uit de Nederlandse samenleving te isoleren. Een cruciaal moment was november 1940, toen Joodse ambtenaren eerst werden geschorst en daarna ontslagen.
Dit document, gedateerd op 4 december 1940, valt precies in de periode waarin deze maatregelen werden geëffectueerd voor bijbanen, commissariaten en onbezoldigde functies in gemeentelijke adviesorganen. Het is een kille weergave van de bureaucratische 'zuivering' van de overheid, die de weg plaveide voor de latere deportaties. De genoemde locaties, zoals de Tugelaweg en de Nieuwe Achtergracht, lagen in het hart van de Joodse buurt van Amsterdam.