Archief 745
Inventaris 745-358
Pagina 105
Dossier 44
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte brief (Pagina 2 van een officieel schrijven).

24 mei 1941. Van: Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). Aan: De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen.

Origineel

Getypte brief (Pagina 2 van een officieel schrijven). 24 mei 1941. Directeur van het Marktwezen (Amsterdam). De Heer Wethouder voor de Levensmiddelen. Bladzijde 2 van brief no.464/6/3 M. d.d. 24 Mei 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.

Ik heb daarom maatregelen overwogen om de bovengeschetste nadeelen voor de Gemeente op te heffen. Voor het verkrijgen van inlichtingen heb ik mij terzake gewend tot de Directie van het Staatsvisschershavenbedrijf te IJmuiden, omdat dit bedrijf ten aanzien van de omzetbelasting een soort gelijke positie inneemt als de Gemeentelijke afslag te Amsterdam. Ook te IJmuiden werd, zoolang de Wet op de Omzetbelasting 1933 de verplichting oplegde om de omzetbelasting afzonderlijk in rekening te brengen, van de koopers 4% omzetbelasting geheven. Na het inwerkingtreden van het nieuwe Besluit Omzetbelasting 1940 op 1 Januari jl., waarbij het afzonderlijk berekenen van omzetbelasting tevens werd verboden, heeft het Staatsvisschershavenbedrijf de omzetbelasting in geenerlei vorm op de koopers verhaald, doch zich op het standpunt gesteld, dat van dien datum af de mijnsom was samengesteld uit de koopsom plus omzetbelasting. Hieruit volgde, dat aan de verkoopers (inzenders) slechts de koopsom (mijnsom minus omzetbelasting) onder aftrek van afslaggeld werd afgedragen, hetgeen dus wil zeggen, dat bij het Staatsvisschershavenbedrijf sedert 1 Januari 1941 de omzetbelasting voor rekening komt van den verkooper (inzender). Deze gedragslijn heeft van de zijde van de verkoopers geen enkelen tegenstand ondervonden. Er is mijns inziens alle aanleiding om het te IJmuiden gevolgde stelsel, dat een oplossing geeft voor alle moeilijkheden, voor den afslag te Amsterdam over te nemen.

Bij invoering van dit stelsel zou aan koopers niet meer een toeslag (administratiekosten) boven den mijnsom in rekening worden gebracht, hetgeen voor hen een reden kan zijn om hooger te bieden. Voor de verkoopers zou dit in de gevallen waarin de maximumprijs niet wordt behaald, voordeel kunnen opleveren. Het in rekening brengen van omzetbelasting aan verkoopers brengt voor handelaren-aanvoerders, die de door hen geveilde visch in vele gevallen op een anderen afslag hebben gekocht, met zich mee, dat zij ten aanzien van het verschuldigde percentage der belasting, thans financieel worden geïnteresseerd.

Krachtens de bepaling van punt 11 van de Vischregeling der Omzetbelasting is namelijk terzake van visch, waarvan door den aanvoerder-handelaar, die als zoodanig bij den afslag bekend staat, een schriftelijke verklaring aan het bestuur van den afslag is verstrekt, dat het visch betreft, waarvoor reeds omzetbelasting c.q. invoerbelasting is betaald, bij aflevering, aan handelaren een half procent in plaats van 2 1/2 procent verschuldigd.

Aangezien de, op de Vischmarkt te Amsterdam, aangevoerde visch, in hoofdzaak betreft die welke door grossiers gekocht werd op zoogenaamde primaire veilingen (dat wil zeggen op veilingen, waar de visscher aanvoert), zal in de meeste gevallen slechts een half procent omzetbelasting aan de grossiers-inzenders in rekening behoeven te worden gebracht. Voor den aanvoerder-handelaar is het derhalve van groot financieel belang, dat hij aan het bepaalde, vermeld in punt 11 van de Vischregeling voldoet. In dit document adviseert de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam aan de Wethouder voor Levensmiddelen om de wijze waarop omzetbelasting wordt verrekend bij de visafslag aan te passen. De kern van het voorstel is om de werkwijze van het Staatsvisschershavenbedrijf in IJmuiden over te nemen.

Voorheen (volgens de wet van 1933) werd de belasting apart bovenop de 'mijnsom' (de prijs waarvoor de vis gemijnd werd) betaald door de koper. Een nieuw besluit uit 1940 verbood echter dit afzonderlijk berekenen. In IJmuiden loste men dit op door de belasting in de mijnsom op te nemen. Dit betekent effectief dat de verkoper de belasting betaalt uit de opbrengst, in plaats van de koper bovenop de prijs.

De directeur voert aan dat dit systeem voordelen heeft:
1. Voor de koper: Geen extra administratiekosten of toeslagen meer bovenop de geboden prijs, wat kan leiden tot hogere biedingen.
2. Voor de verkoper: Hoewel de belasting van hun opbrengst afgaat, kan de hogere biedprijs dit compenseren, zolang de maximumprijs niet bereikt is.
3. Fiscale differentiatie: Het document wijst op een specifieke regeling ("Vischregeling punt 11") waarbij het belastingtarief voor handelaren verlaagd wordt van 2,5% naar 0,5% als kan worden aangetoond dat er al eerder belasting is betaald (bijvoorbeeld op een primaire veiling). Dit is financieel zeer gunstig voor de handelaren-aanvoerders in Amsterdam. De brief dateert uit mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening en de regulering van markten een zaak van groot gewicht. De overheid (onder toezicht van de bezetter) probeerde de markten strak te reguleren, onder andere door prijsbeheersing (maximumprijzen) en fiscale maatregelen.

De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale post in de gemeente Amsterdam tijdens de oorlogsjaren, verantwoordelijk voor de distributie en beschikbaarheid van voedsel. Het stroomlijnen van de belastingheffing bij de visafslag moest zorgen voor een efficiëntere handel en mogelijk ook voor een betere controle op de geldstromen binnen de vitale voedselvoorziening. De verschuiving van belastingdruk van koper naar verkoper (en de complexiteit van de percentages) illustreert de bureaucratische inspanningen om de economie onder de nieuwe wetgeving van 1940 draaiende te houden.

Samenvatting

In dit document adviseert de Directeur van het Marktwezen in Amsterdam aan de Wethouder voor Levensmiddelen om de wijze waarop omzetbelasting wordt verrekend bij de visafslag aan te passen. De kern van het voorstel is om de werkwijze van het Staatsvisschershavenbedrijf in IJmuiden over te nemen.

Voorheen (volgens de wet van 1933) werd de belasting apart bovenop de 'mijnsom' (de prijs waarvoor de vis gemijnd werd) betaald door de koper. Een nieuw besluit uit 1940 verbood echter dit afzonderlijk berekenen. In IJmuiden loste men dit op door de belasting in de mijnsom op te nemen. Dit betekent effectief dat de verkoper de belasting betaalt uit de opbrengst, in plaats van de koper bovenop de prijs.

De directeur voert aan dat dit systeem voordelen heeft:
1. Voor de koper: Geen extra administratiekosten of toeslagen meer bovenop de geboden prijs, wat kan leiden tot hogere biedingen.
2. Voor de verkoper: Hoewel de belasting van hun opbrengst afgaat, kan de hogere biedprijs dit compenseren, zolang de maximumprijs niet bereikt is.
3. Fiscale differentiatie: Het document wijst op een specifieke regeling ("Vischregeling punt 11") waarbij het belastingtarief voor handelaren verlaagd wordt van 2,5% naar 0,5% als kan worden aangetoond dat er al eerder belasting is betaald (bijvoorbeeld op een primaire veiling). Dit is financieel zeer gunstig voor de handelaren-aanvoerders in Amsterdam.

Historische Context

De brief dateert uit mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening en de regulering van markten een zaak van groot gewicht. De overheid (onder toezicht van de bezetter) probeerde de markten strak te reguleren, onder andere door prijsbeheersing (maximumprijzen) en fiscale maatregelen.

De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale post in de gemeente Amsterdam tijdens de oorlogsjaren, verantwoordelijk voor de distributie en beschikbaarheid van voedsel. Het stroomlijnen van de belastingheffing bij de visafslag moest zorgen voor een efficiëntere handel en mogelijk ook voor een betere controle op de geldstromen binnen de vitale voedselvoorziening. De verschuiving van belastingdruk van koper naar verkoper (en de complexiteit van de percentages) illustreert de bureaucratische inspanningen om de economie onder de nieuwe wetgeving van 1940 draaiende te houden.

Kooplieden in dit dossier 100

Aal en paling boven de 250 gram ƒ 2,44
Aal en paling tot 70 gram „ 1,04
Aal en paling van 125—250 gram „ 2,23
Aal en paling van 70—125 gram „ 1,78
As. v. Wygert.
Blei boven 1 pond en kroeskarper ........ ,, 0,34
Blei, meun, sneep en winde boven ½ kg. en kroeskarper 0,34
Alle 100 kooplieden →