Archiefdocument
Origineel
Bijlage II, behoorende bij brief No.46A/23/2 M. d.d. 13 Juni 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
VERGELIIJKEND OVERZICHT VAN DE IN DEN AFSLAG VERKOCHTE NOORDZEEVISCH PLUS DE BRUTO-OPBRENGST GEDURENDE DE PERIODEN VAN 1 MEI 1936 – 30 APRIL 1937; 1 MEI 1939 – 30 APRIL 1940 EN 1 MEI 1940 – 30 APRIL 1941.
| Vischsoorten | 1 Mei 1936 - 30 April 1937 (kg.) | 1 Mei 1936 - 30 April 1937 (Bruto-opbrengst) | 1 Mei 1939 - 30 April 1940 (kg.) | 1 Mei 1939 - 30 April 1940 (Bruto-opbrengst) | 1 Mei 1940 - 30 April 1941 (kg.) | 1 Mei 1940 - 30 April 1941 (Bruto-opbrengst) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Bot | 13.001 | ƒ 2.181,80 | 11.943 | ƒ 2.291,45 | 23.952 | ƒ 14.600,59 |
| Garnalen | 1.170 | " 50,22 | 20 | " 9,50 | 47.658 | " 17.394,06 |
| Geep | 5.720 | " 593,03 | 9.760 | " 879,75 | 4.900 | " 1.261,14 |
| Griet | 14.519 | " 5.042,16 | 7.809 | " 3.058,14 | 99 | " 67,05 |
| Heilbot | 1.728 | " 778,50 | 650 | " 370,28 | - | - , - |
| Kabeljauw | 52.196 | " 10.063,09 | 50.061 | " 9.591,51 | 589 | " 262,60 |
| Koolvisch | 66.625 | " 4.737,41 | 12.608 | " 1.274,02 | 35 | " 12,20 |
| Leng | 12.214 | " 2.157,30 | 8.970 | " 1.560,04 | - | - , - |
| Makreel | 70.158 | " 4.935,67 | 13.457 | " 943,26 | 808 | " 236,90 |
| Poon | 7.218 | " 1.188,58 | 5.428 | " 1.421,06 | 89 | " 18,45 |
| Rog | 129 | " 11,25 | 100 | " 13,64 | 5 | " 4,40 |
| Schar | 46.790 | " 4.470,57 | 36.294 | " 3.109,81 | 27.226 | " 7.355,87 |
| Schelvisch | 52.160 | " 8.070,98 | 23.368 | " 4.823,91 | 1.054 | " 349,20 |
| Schol | 709.947 | " 95.068,98 | 276.660 | " 39.126,85 | 1.610 | " 665,70 |
| Tarbot | 25.132 | " 10.375,47 | 14.867 | " 5.904,97 | 146 | " 77, - |
| Tong | 56.394 | " 35.737,73 | 40.349 | " 25.449,74 | 4.662 | " 5.169,76 |
| Tongschar | 10.053 | " 2.137,42 | 7.572 | " 2.013,38 | - | - , - |
| Wijting | 42.295 | " 3.371,52 | 44.322 | " 3.303,12 | 5.033 | " 1.237,60 |
| Zeewolf | 1.322 | " 287,02 | 1.110 | " 185,65 | - | - , - |
| Haring (zoute en versche) | 7.250 | " 187,42 | 10.113 | " 597,80 | 775 | " 243, - |
| Gerookte en gestoomde visch (div.) | - | - , - | 1.272 | " 243,28 | 825 | " 219,83 |
| Bokking | 65.270 | " 5.660,35 | 112.320 | " 14.582,24 | 53.280 | " 10.256,83 |
| Zeepaling | 686 | " 121,50 | - | - , - | - | - , - |
| Totaal | 1.261.977 | ƒ 197.227,97 | 689.054 | ƒ 120.753,40 | 172.746 | ƒ 59.432,18 |
- Volume-afname: Tussen het vooroorlogse jaar (1936/1937) en het eerste volledige oorlogsjaar (1940/1941) daalt de totale aanvoer van 1.261.977 kg naar slechts 172.746 kg. Dit is een afname van ruim 86%.
- Specifieke soorten: Vooral de consumptievis die verder op zee gevangen wordt, zoals schol (van 709.947 kg naar 1.610 kg) en kabeljauw (van 52.196 kg naar 589 kg), verdwijnt vrijwel volledig uit de statistieken.
- Prijsstijging: Hoewel de volumes enorm dalen, valt op dat de prijzen per kilo fors stijgen. Zo bracht 13.001 kg bot in 1936 ƒ 2.181,80 op (ca. ƒ 0,16/kg), terwijl 23.952 kg bot in 1941 ƒ 14.600,59 opbracht (ca. ƒ 0,61/kg). Dit duidt op grote schaarste en inflatie.
- Kustvisserij: De aanvoer van garnalen en bot blijft relatief hoog of stijgt zelfs in 1940/1941, wat suggereert dat de visserij zich noodgedwongen beperkte tot de directe kustwateren. Dit document dateert van juni 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De visserij op de Noordzee werd tijdens de Tweede Wereldoorlog extreem bemoeilijkt en nagenoeg stilgelegd door diverse factoren:
- Mijnenvelden: De Noordzee lag vol met zeemijnen, wat varen levensgevaarlijk maakte.
- Vordering van schepen: Veel vissersvaartuigen (loggers en kotters) werden door de Duitse Kriegsmarine gevorderd voor bewakingstaken of transport.
- Sperrgebiete: Grote delen van de kust en zee werden door de bezetter tot verboden gebied verklaard om invasies te voorkomen en spionage tegen te gaan.
- Brandstoftekort: Er was een chronisch gebrek aan diesel en olie voor de vissersvloot.
De geadresseerde, de "Wethouder voor de Levensmiddelen", was verantwoordelijk voor de voedselvoorziening in de stad. Deze cijfers boden hem een somber inzicht in het wegvallen van een belangrijke eiwitbron voor de bevolking, wat de noodzaak voor strengere rantsoenering onderstreepte.