Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie (doorslag).
Origineel
Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie (doorslag). 27 juni 1941. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Voedselcommissariaat of distributiedienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Handgeschreven in blauwe inkt]: Extra
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
45A/27/4 M. 2 27 Juni 1941.
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 19 dezer om
advies ontvangen stukken No.626 L.M.1941 heb ik de eer U het vol-
gende te berichten.
Zooals dezerzijds bereids telefonisch op 21 dezer aan den Heer
Administrateur van Uw afdeeling is medegedeeld, is inmiddels het
verbod van de rijksverkeersinspectie om de visch per auto te ver-
voeren, opgeheven, waarmede deze zaak als afgedaan kan worden be-
schouwd.
De leiding van het Bureau Amsterdam van genoemde inspectie
heeft mij, desgevraagd, toegezegd voortaan ten aanzien van het
uitvaardigen van dergelijke verboden, zich te voren met mij in
verbinding te zullen stellen.
De Directeur, Deze brief is een formeel bericht van een niet nader genoemde directeur aan de Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. De kern van de zaak is de opheffing van een transportverbod. De Rijksverkeersinspectie had blijkbaar een verbod ingesteld op het vervoeren van vis per auto. Dit verbod is inmiddels ingetrokken.
Opmerkelijk is de laatste alinea: de directeur heeft afspraken gemaakt met het Bureau Amsterdam van de Rijksverkeersinspectie. Zij hebben toegezegd voortaan eerst te overleggen voordat dergelijke transportverboden worden uitgevaardigd. Dit duidt op een poging om de coördinatie tussen de verschillende inspectie- en distributiediensten te verbeteren om de voedselvoorziening niet onnodig te verstoren.
Het taalgebruik is typisch voor die tijd: formeel, hoffelijk en doorspekt met ambtelijke termen zoals "kantbrief", "dezer" en "waarmede". Het document dateert van juni 1941, iets meer dan een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de voedselvoorziening en het transport strikt gereguleerd. Er heersten tekorten aan brandstof en banden, waardoor gemotoriseerd transport alleen voor essentiële goederen was toegestaan.
De "Wethouder voor de Levensmiddelen" had de zware taak om de bevolking van een grote stad als Amsterdam van voedsel te blijven voorzien onder steeds moeilijkere omstandigheden. Visch was een belangrijk onderdeel van het dieet nu vlees steeds schaarser werd. Het feit dat er een verbod was op autotransport voor vis, wijst op de drastische maatregelen die werden genomen om brandstof te besparen, maar ook op de voortdurende strijd tussen logistieke beperkingen en de noodzaak om bederfelijke waar snel bij de consument te krijgen.